ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 8 - november 2019
Merton, zen, en wij… Van 18 tot 20 oktober 2019 vond nabij Gent (België) het jaarlijkse Mertonweekend plaats. Ondergetekende mocht daar spreken over de verhouding van Merton en zen. Thomas Merton (1915-1968) leefde als trappist en kluizenaar. Hij maakte wereldwijd naam als spiritueel schrijver van zo’n zestig boeken. Hij brak het katholieke kloosterleven en in bredere zin het christen-zijn open in de tijd dat het Tweede Vaticaans Concilie (1962- 1965) tot stand kwam en zich voltrok. Dat concilie gaf ruimte om ook de niet-christelijke tradities te waarderen en te verkennen. Het durfde om zich heen te zien naar andere levensbeschouwelijke tradities als de tot dan toe superieur geachte eigen christelijke traditie. De kerk wilde bij de tijd komen en versteende structuren loslaten. Merton maakt dit tot de inzet van zijn leven: hoe het christen-zijn te doordenken zodanig dat het zich engageert in de snel veranderende wereld van de jaren zestig, met rassenhaat, met oorlogen die de wereld schokken, met de opkomende massamedia die die wereld klein maken, met jongeren die vragen om nieuwe inhoud om voor te leven? Merton zocht het universele dat alle religies wereldwijd met elkaar verbindt, en zocht het zo ook in het Oosten, in zen. Hij was geen zenmeester en werd door D.T. Suzuki teruggewezen waar hij probeerde de zen-traditie in te passen in de christelijke mystiek en contemplatie. Wat kunnen wij mogelijk nog leren van Merton’s zoeken, van de dynamiek van zijn levensweg die eindigde in het Oosten? Wij allemaal leven in een nog steeds door het christendom gekleurde cultuur. Veel westerse mensen die de zen-weg willen gaan hebben moeite die christelijke achtergrond die in hen schuilt in zichzelf los en vrij te maken, en zo te verdiepen en te verbreden tot wat meer universeel is. Hoe verging het Merton daarbij, nu meer dan vijftig jaar geleden? Van belang is het, denk ik, te zien dat Merton zocht met alles wat hij was: héél zijn leven werd de zoektocht naar het verbindende dat alles dragend is, naar eenheid over alle grenzen heen, en naar vrede die in een alles verbindende eenheid grondt. Hij schreef over het zelf van de mens dat kan toegroeien naar de volheid van het mysterie van ons bestaan. Voor hem was dat de God gezien als Persoon die liefde is. En het zichzelf leeg maken van alles wat de mens scheidt van de goddelijke presentie schetst Merton als de spirituele weg die de mens kan gaan, in een grenzeloos zich openen voor dat mysterie van het bestaan, voor de liefde als universele en transcendentale alles verbindende - kracht. In zijn schrijven bouwt hij op de oorsprongsmythen van het christen-zijn, op het paradijsverhaal en het evangelie. Lang blijft hij hangen in het uitwerken van een theologisch concept, een godsbeeld en een mensbeeld dat draait om “de liefde die God is”. Altijd onderweg naar een ideaal dat er nu nog niet is, duaal denkend . Denkend in termen van bereiken, van een zelf dat aan waarde wint naarmate het vordert op de lineair geschetste weg. Daarbij probeert Merton de oosterse ervaring van “leegte” te christianiseren: hij ziet de drie-ene God als een lege ruimte, zonder in zichzelf nog de scheiding te kennen van subject en object, immers één in de liefde. In die liefde kan de mens treden door leeg te worden van zichzelf en vol te worden van de liefde die God is. Het zelf van de mens kan zo uitgroeien tot het “true self” . Suzuki legt hem uit dat dit geen zen is… en het bijzondere is dat Merton dat accepteert(!) en respecteert! Zen spreekt van “no self” , van “no mind” , van niet-denken en van niet –weten. Van het   ervaren van het Ene in dít éne lege ogenblik dat er maar is… uit zichzelf vervloeiend in het volgende ogenblik. Zen gaat voorbij welke oorsprongsmythe dan ook. Zen verwijst naar het éne gebeuren dat er maar is en waarin ikzelf als mens mede gebeur. Het spreekt van onmiddellijk en onbemiddeld ervaren voorbij elk beeld dat ik van het mysterie maken kan. Van het ontbreken van elk houvast in het “niets”, in het niet- gekende en niet-benoembare. Een aantal westerse religieuzen noemt zich sinds de zestiger jaren simpelweg en ten onrechte “zenmeester” door het begrippenkader rondom zen over te nemen en bruikbaar te maken voor hun eigen meditatie-methode. Wellicht hadden zij veel van Merton kunnen leren: die ging een andere weg…. Merton lijkt in zijn schrijversdrift tot stilstand te komen als hij ontdekt heeft dat hij zen niet kan inpassen in de christelijke denkstructuren die hij ontwerpt. Maar hij gaat wel verder met zich open te stellen. Daarbij brengt hij héél zijn persoon in het spel, niet slechts zijn denken. Dat blijkt uit gedichten die hij schrijft en waarin hij met behulp van metaforen kan verwijzen naar hetgeen hij zoekt en waarvoor er juist géén woorden zijn. Dat blijkt uit zijn schilderen : als kunstenaarszoon gaat hij steeds eenvoudiger schilderen, en beweegt zich naar uiterst eenvoudige weergaven van het verschijnen van beelden uit het niets, zen-gelijkend. Die weg gaat hij ook in de   fotografie . Hij fotografeert bij voorkeur landschappen waarin hetgeen hij fotografeert eigenlijk zomaar wonderlijk verschijnt. En als hij zelf niet meer zo helder over zen weet te schrijven kiest hij de weg van het vertalen : hij laat het anderen zeggen om van te leren. Hij vertaalt in 1965 de Chuang Tzu, een daoïstische klassieker, en noemt dat zijn lievelingsgeschrift. Wie deze vertaling leest, kan zich niet onttrekken aan de indruk dat hij die vertaling gemaakt heeft “vanuit zen”. En dat hij diep in de Chuang Tzu is doorgedrongen. Dat dit vertalen - dat eigenlijk een luisteren is(!) - hem verder heeft geholpen in zijn zoektocht. Non-dualiteit breekt in die vertaling door, alles is uit zichzelf veranderlijk, de leegte is er de oorsprong van al wat is. Mededogen ontspringt als diep-menselijke trek die mensen eigen wordt in de ervaring dat hun leven door en door vluchtig en veranderlijk is. Het grote niet-weten dat de mens eigen is komt Merton verder onder ogen als hij Chuang Tzu tot zich laat spreken. Het kan niet anders, dunkt mij, of Merton is almaar dóórgegaan met zich open te stellen voor iets wat hij eerder nog niet kende… maar wel vermoedde… En doordat hij zichzelf bleef ont- grenzen groeide hij ook door…. Voorbij alles wat hij eerder geschreven had - in de richting van wat juist niet te beschrijven is. Dat blijkt aan het einde van zijn Azië-reis. Daar ontmoet hij rinpoché’s (Tibetaanse religieuze leiders) met wie hij zijn ervaring deelt. Dan komt het stamelen: de taal schiet nu plots te kort om nog de ervaring te kunnen beschrijven. Het alles-dragende blijkt ook door Merton niet meer onder woorden gebracht te kunnen worden. Het denken treedt terug voor een heel ander soort “weten” dat nu meer van doen heeft met inzicht en intuïtie, met transformatie van de persoon die zelf niets anders is als een almaar opkomende ervaring. Merton durft dan in zijn dagboek te noteren dat hij een alomvattende leegte ervaart die alles-dragend is, waarin alles zomaar verschijnende is, ook de mens en zijn (gods)beelden. “The ultimate emptiness” , “beyond God” , voorbij het godsbeeld en voorbij het mensbeeld dat hij eerder formuleerde. Het overkomt Merton dat hetgeen hij zocht in zen zich nu in het contact met de dzogchen-traditie voltooit. Stamelend komt hij thuis, geopend en ontwaakt. Merton-kenners durven niet te zeggen hoe hij zich verder zou hebben ontwikkeld. Was hij in het Oosten gebleven? Was hij kluizenaar gebleven binnen de katholieke kerk nabij het klooster Gethsemani waar hij leefde? We weten het niet. En ik vraag mij af hoe deze compromisloze zoeker zich zou hebben verhouden tot de weldra opkomende verstikkende restauratie binnen de katholieke kerk? Zou hij hebben kunnen zwijgen om conflicten te vermijden - om er niet uitgezet te worden? Hoe zou hij zelf hebben omgezien naar zijn eigen geschriften - nu vanuit het nieuwe ervaren dat hem overkwam? We zullen het nooit weten. Merton vond enkele dagen later plots de dood door elektrocutie bij het vastpakken van een metalen ventilator die defect was. Voor wie de zen-weg wil gaan vanuit het christen-zijn heeft Merton laten zien dat zoeken met héél de persoon die je bent mogelijk is. Niet alleen in studie en in denken, maar ook door andere wegen te gaan voorbij het rationele denken. De weg van de kunst die uit het niets woordeloos de schoonheid openbaart. De weg van het dichterlijk verwijzen en verkennen voorbij wat zegbaar is. Door eindeloos de vraag met zich mee te dragen die in zen centraal staat: “Wie/wat ben ik eigenlijk, wie/wat is de mens?” En door deze vraag nooit tot zwijgen te laten komen, ook niet als die vraag je wegvoert uit oude denk- en geloofsbeelden die voor de moderne mens niets-zeggend geworden zijn. In onze tijd doen de oude rituelen en geloofszekerheden het niet meer zo. Maar de vraag die Merton zichzelf stelde zal ook door de komende generaties gesteld blijven worden. Wat betekent mijn mens-zijn? Wat is het alles-verbindende dat alle scheidingen overstijgt en zo verwijst naar een vrede die universeel is? Wat leidt mij tot de ervaring van de zo gezochte eenheid, tot de ervaring van het Ene dat ons allen draagt? Hoe kan ik het Ene ervaren dat zich toont in al wat is? De dynamiek en de grensoverschrijdende kracht van Merton’s zoeken kan ook ons nog bemoedigen. En de zen-weg gaan kan ook voor ons wellicht een weg zijn die zich meer en meer voltooit in de ervaring van het één-zijn waar onze verscheurde wereld zo naar snakt. Kees van den Muijsenberg
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 8 - november 2019
Merton, zen, en wij… Van 18 tot 20 oktober 2019 vond nabij Gent (België) het jaarlijkse Mertonweekend plaats. Ondergetekende mocht daar spreken over de verhouding van Merton en zen. Thomas Merton (1915-1968) leefde als trappist en kluizenaar. Hij maakte wereldwijd naam als spiritueel schrijver van zo’n zestig boeken. Hij brak het katholieke kloosterleven en in bredere zin het christen-zijn open in de tijd dat het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) tot stand kwam en zich voltrok. Dat concilie gaf ruimte om ook de niet-christelijke tradities te waarderen en te verkennen. Het durfde om zich heen te zien naar andere levensbeschouwelijke tradities als de tot dan toe superieur geachte eigen christelijke traditie. De kerk wilde bij de tijd komen en versteende structuren loslaten. Merton maakt dit tot de inzet van zijn leven: hoe het christen-zijn te doordenken zodanig dat het zich engageert in de snel veranderende wereld van de jaren zestig, met rassenhaat, met oorlogen die de wereld schokken, met de opkomende massamedia die die wereld klein maken, met jongeren die vragen om nieuwe inhoud om voor te leven? Merton zocht het universele dat alle religies wereldwijd met elkaar verbindt, en zocht het zo ook in het Oosten, in zen. Hij was geen zenmeester en werd door D.T. Suzuki teruggewezen waar hij probeerde de zen-traditie in te passen in de christelijke mystiek en contemplatie. Wat kunnen wij mogelijk nog leren van Merton’s zoeken, van de dynamiek van zijn levensweg die eindigde in het Oosten? Wij allemaal leven in een nog steeds door het christendom gekleurde cultuur. Veel westerse mensen die de zen-weg willen gaan hebben moeite die christelijke achtergrond die in hen schuilt in zichzelf los en vrij te maken, en zo te verdiepen en te verbreden tot wat meer universeel is. Hoe verging het Merton daarbij, nu meer dan vijftig jaar geleden? Van belang is het, denk ik, te zien dat Merton zocht met alles wat hij was: héél zijn leven werd de zoektocht naar het verbindende dat alles dragend is, naar eenheid over alle grenzen heen, en naar vrede die in een alles verbindende eenheid grondt. Hij schreef over het zelf van de mens dat kan toegroeien naar de volheid van het mysterie van ons bestaan. Voor hem was dat de God gezien als Persoon die liefde is. En het zichzelf leeg maken van alles wat de mens scheidt van de goddelijke presentie schetst Merton als de spirituele weg die de mens kan gaan, in een grenzeloos zich openen voor dat mysterie van het bestaan, voor de liefde als universele en transcendentale alles verbindende - kracht. In zijn schrijven bouwt hij op de oorsprongsmythen van het christen-zijn, op het paradijsverhaal en het evangelie. Lang blijft hij hangen in het uitwerken van een theologisch concept, een godsbeeld en een mensbeeld dat draait om “de liefde die God is”. Altijd onderweg naar een ideaal dat er nu nog niet is, duaal denkend . Denkend in termen van bereiken, van een zelf dat aan waarde wint naarmate het vordert op de lineair geschetste weg. Daarbij probeert Merton de oosterse ervaring van “leegte” te christianiseren: hij ziet de drie-ene God als een lege ruimte, zonder in zichzelf nog de scheiding te kennen van subject en object, immers één in de liefde. In die liefde kan de mens treden door leeg te worden van zichzelf en vol te worden van de liefde die God is. Het zelf van de mens kan zo uitgroeien tot het “true self” . Suzuki legt hem uit dat dit geen zen is… en het bijzondere is dat Merton dat accepteert(!) en respecteert! Zen spreekt van “no self” , van “no mind” , van niet- denken en van niet –weten. Van het ervaren van het Ene in dít éne lege ogenblik dat er maar is… uit zichzelf vervloeiend in het volgende ogenblik. Zen gaat voorbij welke oorsprongsmythe dan ook. Zen verwijst naar het éne gebeuren dat er maar is en waarin ikzelf als mens mede gebeur. Het spreekt van onmiddellijk en onbemiddeld ervaren voorbij elk beeld dat ik van het mysterie maken kan. Van het ontbreken van elk houvast in het “niets”, in het niet-gekende en niet-benoembare. Een aantal westerse religieuzen noemt zich sinds de zestiger jaren simpelweg en ten onrechte “zenmeester” door het begrippenkader rondom zen over te nemen en bruikbaar te maken voor hun eigen meditatie-methode. Wellicht hadden zij veel van Merton kunnen leren: die ging een andere weg…. Merton lijkt in zijn schrijversdrift tot stilstand te komen als hij ontdekt heeft dat hij zen niet kan inpassen in de christelijke denkstructuren die hij ontwerpt. Maar hij gaat wel verder met zich open te stellen. Daarbij brengt hij héél zijn persoon in het spel, niet slechts zijn denken. Dat blijkt uit gedichten die hij schrijft en waarin hij met behulp van metaforen kan verwijzen naar hetgeen hij zoekt en waarvoor er juist géén woorden zijn. Dat blijkt uit zijn schilderen : als kunstenaarszoon gaat hij steeds eenvoudiger schilderen, en beweegt zich naar uiterst eenvoudige weergaven van het verschijnen van beelden uit het niets, zen- gelijkend. Die weg gaat hij ook in de fotografie . Hij fotografeert bij voorkeur landschappen waarin hetgeen hij fotografeert eigenlijk zomaar wonderlijk verschijnt. En als hij zelf niet meer zo helder over zen weet te schrijven kiest hij de weg van het     vertalen : hij laat het anderen zeggen om van te leren. Hij vertaalt in 1965 de Chuang Tzu, een daoïstische klassieker, en noemt dat zijn lievelingsgeschrift. Wie deze vertaling leest, kan zich niet onttrekken aan de indruk dat hij die vertaling gemaakt heeft “vanuit zen”. En dat hij diep in de Chuang Tzu is doorgedrongen. Dat dit vertalen - dat eigenlijk een luisteren is(!) - hem verder heeft geholpen in zijn zoektocht. Non- dualiteit breekt in die vertaling door, alles is uit zichzelf veranderlijk, de leegte is er de oorsprong van al wat is. Mededogen ontspringt als diep-menselijke trek die mensen eigen wordt in de ervaring dat hun leven door en door vluchtig en veranderlijk is. Het grote niet-weten dat de mens eigen is komt Merton verder onder ogen als hij Chuang Tzu tot zich laat spreken. Het kan niet anders, dunkt mij, of Merton is almaar dóórgegaan met zich open te stellen voor iets wat hij eerder nog niet kende… maar wel vermoedde… En doordat hij zichzelf bleef ont-grenzen groeide hij ook door…. Voorbij alles wat hij eerder geschreven had - in de richting van wat juist niet te beschrijven is. Dat blijkt aan het einde van zijn Azië-reis. Daar ontmoet hij rinpoché’s (Tibetaanse religieuze leiders) met wie hij zijn ervaring deelt. Dan komt het stamelen: de taal schiet nu plots te kort om nog de ervaring te kunnen beschrijven. Het alles-dragende blijkt ook door Merton niet meer onder woorden gebracht te kunnen worden. Het denken treedt terug voor een heel ander soort “weten” dat nu meer van doen heeft met inzicht en intuïtie, met transformatie van de persoon die zelf niets anders is als een almaar opkomende ervaring. Merton durft dan in zijn dagboek te noteren dat hij een alomvattende leegte ervaart die alles- dragend is, waarin alles zomaar verschijnende is, ook de mens en zijn (gods)beelden. “The ultimate emptiness” , “beyond God” , voorbij het godsbeeld en voorbij het mensbeeld dat hij eerder formuleerde. Het overkomt Merton dat hetgeen hij zocht in zen zich nu in het contact met de dzogchen-traditie voltooit. Stamelend komt hij thuis, geopend en ontwaakt. Merton-kenners durven niet te zeggen hoe hij zich verder zou hebben ontwikkeld. Was hij in het Oosten gebleven? Was hij kluizenaar gebleven binnen de katholieke kerk nabij het klooster Gethsemani waar hij leefde? We weten het niet. En ik vraag mij af hoe deze compromisloze zoeker zich zou hebben verhouden tot de weldra opkomende verstikkende restauratie binnen de katholieke kerk? Zou hij hebben kunnen zwijgen om conflicten te vermijden - om er niet uitgezet te worden? Hoe zou hij zelf hebben omgezien naar zijn eigen geschriften - nu vanuit het nieuwe ervaren dat hem overkwam? We zullen het nooit weten. Merton vond enkele dagen later plots de dood door elektrocutie bij het vastpakken van een metalen ventilator die defect was. Voor wie de zen-weg wil gaan vanuit het christen-zijn heeft Merton laten zien dat zoeken met héél de persoon die je bent mogelijk is. Niet alleen in studie en in denken, maar ook door andere wegen te gaan voorbij het rationele denken. De weg van de kunst die uit het niets woordeloos de schoonheid openbaart. De weg van het dichterlijk verwijzen en verkennen voorbij wat zegbaar is. Door eindeloos de vraag met zich mee te dragen die in zen centraal staat: “Wie/wat ben ik eigenlijk, wie/wat is de mens?” En door deze vraag nooit tot zwijgen te laten komen, ook niet als die vraag je wegvoert uit oude denk- en geloofsbeelden die voor de moderne mens niets-zeggend geworden zijn. In onze tijd doen de oude rituelen en geloofszekerheden het niet meer zo. Maar de vraag die Merton zichzelf stelde zal ook door de komende generaties gesteld blijven worden. Wat betekent mijn mens- zijn? Wat is het alles-verbindende dat alle scheidingen overstijgt en zo verwijst naar een vrede die universeel is? Wat leidt mij tot de ervaring van de zo gezochte eenheid, tot de ervaring van het Ene dat ons allen draagt? Hoe kan ik het Ene ervaren dat zich toont in al wat is? De dynamiek en de grensoverschrijdende kracht van Merton’s zoeken kan ook ons nog bemoedigen. En de zen-weg gaan kan ook voor ons wellicht een weg zijn die zich meer en meer voltooit in de ervaring van het één-zijn waar onze verscheurde wereld zo naar snakt. Kees van den Muijsenberg