ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 9 - januari 2020
Zenmeesters lachen vaak. Zenmeesters lachen vaak. Dat zij huilen lezen we niet, zover ik weet. Allen vrouw of man zijnde - kennen zij volop ‘de purperen draad’, de ervaring van het lijden en van het verdriet, die ook Boeddha’s levenslange zoektocht in gang bracht. Maar meest typerend als gemoedstoestand is voor hen toch de lach van de gelijkmoedigheid die ontspringt in het ogenblik. De zenmeester ervaart dat zij er zomaar precies is vanuit een stromen dat zij niet kent. De meester is de ervaring geworden van het zomaar verschijnen van al wat er is. Nergens anders kan iets verschijnen als in de vloeiende ervaring die zij zelf is. En die ervaring realiseert zich zomaar in dit veranderlijke ogenblik: iets anders is er niet als datgene wat er in dit ogenblik is. Zenmeesters lachen vaak om dit wonderlijke verschijnen van alles wat ze ervaren, waarnemen of gewaarworden. Altijd is het een lach van verwondering. De vlinder fladdert in de lucht en de bloem opent zich in de ochtendzon. Waarvandaan en waardoor gestuurd of bewogen? Geen enkel filosofisch of theologisch concept krijgt grip op dit om-niet verschijnen van vlinder en bloem. We hebben concepten voor het bewustzijn, voor het stromen van alle leven dat we benoemen met ‘God’ of met andere namen, ook namen afkomstig uit natuurwetenschappelijke theorieën. Maar ook die namen blijven maar namen gebaseerd op hypothesen over iets waar we niets van weten. Wat weten we over het ontstaan van de tijdloze dans die de kosmos is? Wat van het ontstaan van ons immer veranderlijke bewustzijn? En daarvandaan: wat weten we van het komen van het licht in onze ogen, of van de volgende gedachte die zomaar opkomt, het volgende woord dat we laten klinken? We denken, jawel, maar hoe ontstaat aan vlees, bloed en witte massa een gedachte of een herinnering, een verlangen of een verwachting? Allerlei verklaringen uit biologie of psychologie bieden slechts een illusoir houvast. Illusoir, dat wil zeggen: we mogen en kunnen er gerust om lachen… Zenmeesters lachen vaak. Vaak een stille lach van binnen, ongezien, intiem geworden. Ze behouden hun gelijkgestemde durende innerlijke vreugde. Hun bestaansvreugde is niet te verstoren. Hun hele leven is als en lentewandeling. Onder hun voeten ontspruit almaar de bloesem van het bestaan, het openbloeien van het mysterie dat zich in grote schoonheid wisselend en veranderlijk toont in het gewone alledaagse, in de stroom van het meest basale leven. De lentewandeling van Chuang Tzu, een prachtig klassiek schilderij waarin we de meester lichtvoetig zien voortgaan langszij de bloesem die bij zijn voeten stap na stap ontspringt. Hij kijkt de verte in waarin de majestueuze bergen hun structuur verliezen in de LEEGTE en overgaan in het universum dat zo structuurloos is als het NIETS en goudkleurig als de lucht bij zonsopkomst. Het mysterie van ons bestaan opent zich almaar tot wat wij zien, horen, ruiken, smaken, voelen, denken en willen, tot wat wij zijn. De meester is het mysterie dat zich toont. De Hartsoetra zegt dat onovertroffen: alles is - leeg van zichzelf - almaar veranderlijk verschijnend als vorm die in zichzelf geen enkele vastheid kent, als leegte die vorm is, als vorm die leegte is. Alles is de LEEGTE waarin HET verschijnt als DIT en overgaat in steeds nieuw verschijnen in veranderlijke vormen. Zonder begin: waar zou het ooit begonnen zijn? Zonder einde: waar zou dit ooit kunnen eindigen? In het éne stromen zijn geboorte en dood slechts veranderingen. Zo intens lévend... en in hetzelfde ogenblik zo intens veranderlijk, sterfelijk… Nergens anders kan HET dit ENE - zich tonen aan mij als in dit vluchtige ogenblik waarin ik er precies zó bèn. In haar verschijnen bèn ik het ENE. Zenmeesters lachen vaak. Ze kunnen hun glimlach meestal niet meer verbergen. Hun vreugde is meest-oorspronkelijk. Het is de vreugde van het vooraf en de vreugde van het voorbij aan alle rationaliteit, aan alle denken en maken. In die vreugde laten ze zichzelf los ‘weten’ ze zichzelf los - en ervaren ze alles wat ze zijn, zien, horen, ruiken, smaken, voelen, denken en willen als los, als opgenomen in een voortgaande dans die ze zelf zijn. Het is er toevallig precies HIER-en-NU. Als het zomaar fladderen van een vlinder die ik niet maak maar die in mijn zien gewichtloos danst in de lucht. Los. Zo gaan de meesters rond in dat aards opbloeiende leven van ons. DIT (leven) is HET (verschijnen) zondermeer… er is niets anders. Zenmeesters lachen vaak. Soms is het een schaterlach van bevrijding. Ze piekeren niet. Hun inzicht is gebaseerd op ervaring, niet op denken. Oorzaak en gevolg van de dans spelen een rol die ik niet ken en die ik niet kan overzien, ook al proberen velen er een structuur in te zien. Zen erkent dat oorzaak en gevolg er zijn, maar waar die vandaan komen en hoe die precies werken, daar weet zen niets van. De vlinder vliegt, de bloem bloeit, een kind lacht of huilt, de ervaring die de mens is realiseert zich. Karma als concept wordt afgewezen. Duizenden invloeden werken zich uit in dit unieke zich tonen in de ervaring die ik in dit éne ogenblik ben. Duizenden invloeden vloeien uit in de vlinder die danst, in de hele kosmos die beweegt, in de éne dans waarin ik meebeweeg. Maar ik ken de oorzaak niet (non-causaal), ik kan het niet analyseren of stabiliseren (non- substantieel) en die alomvattende dans is één gebeuren (non-duaal). Als het ENE dat zich realiseert tot wat ik ben: waar anders zou HET zich kunnen tonen als in de zich vloeiend realiserende ervaring die ik ben? Ik ken en kan niets buiten mijn ervaren… ik ben niets buiten dit éne stromen… Zenmeesters lachen vaak. Het kon lang duren voordat ze zich door hun lach konden en durfden laten leiden. Zich laten leiden door de lach als de diepste bevrijdende wijsheid. Dat hebben ze geleerd na zelf eindeloos naar houvast te hebben gezocht. Hun vreugde is gerijpt. Hun grijpen is voorbij. Hun lachen is niet cynisch. Veeleer is het de herkenning van de eigenlijke aard van het menselijke bestaan, van het grote stille en roerloze niet- weten vooraf en voorbij de grote (denkende) twijfel van het almaar toch willen en moeten vinden van een (bedacht) houvast dat er niet is. Daaraan zijn ze nu voorbij, en in de éénheid van hun lichaam/geest genieten ze het leven zonder nog greep te willen krijgen op de ervaring die zich vloeiend voordoet als wat ze zelf zijn. Zij houden van dit vervloeiende leven zoals het is. Ze staan in verwondering dàt ze er zomaar zijn, dat alles gave is ik-weet-niet-waarvandaan. Ze staan in de dankbaarheid er zomaar precies te zijn. Verwondering en dankbaarheid dat het ENE zich zo toont, vluchtig en veranderlijk uit zichzelf. Vrij uit zichzelf toont het ENE zich HIER-en-NU… en er is niets anders. Het toont zich als het denken, willen, zien, horen, ruiken, smaken en tasten dat ik in dit ogenblik bèn voorafgaande aan wat ik (later) ervan denk of wat ik er (later) mee wil… De vreugde van de zenmeesters is méést-oorspronkelijk, ontspringend aan beter ontspringend in de oorsprong die zich onmiddellijk en onbemiddeld toont… Non-duaal: er is slechts het ENE dat stroomt, dat verschijnt, dat vloeit, dat zich veranderlijk toont als wat ik met een glimlach in dit ogenblik ben. Zenmeesters lachen vaak. Hun lach laat zien dat ze van dit leven houden. Maar hun lachen is geen nihilisme. Ze houden van het leven zoals dat zich in het ogenblik voordoet. Dat is het eerste - nee - dat is het énige: er is niets anders als wat in dit éne ogenblik verschijnt… HET toont zich als DIT. Daarin integreren zich al hun herinneringen die nergens anders kunnen opdoemen als in dit HIER-en-NU. Daarin komt ook hun verlangen op. ‘Gisteren’ kunnen ze niet herhalen en ‘morgen’ kunnen ze nog niet doen…. Slechts HIER-en-NU ben ik en doe ik, denk ik, verlang ik, verwacht ik. En dat is mijn leven, het leven, de prachtige wereld waarin ik sta. Het is niet niks dat mijn meest geliefde medemens zomaar verschijnt in(!) de unieke ervaring die ik ben(!) Mijzelf doorschouwend en vandaaruit ziende hoe kwetsbaar vluchtig het leven van de ander is - zoals het mijne. In dit gedeelde HIER-en-NU, in deze volle presentie, kan mededogen ontspringen: de ervaring van het één zijn van mijzelf en de ander in het éne vluchtige ogenblik van verschijnen. In het MU van meester Joshu. In het éne gebeuren dat er maar is en waar we onszelf en de ander aantreffen, zomaar om niet. In de éne dans van de vlinder - en van al wat is van wat wij zelf zijn. We zijn al één - we zijn al het ENE voordat we erover kunnen denken of spreken. Zenmeesters lachen vaak. Maar nooit goedkoop of oppervlakkig. Hun durende vreugde is gerijpt. In goede en kwade dagen, los blijvend van een toevallig oordeel. Vrij meegaande in het alledaagse leven met zijn zorgen en verantwoordelijkheden die hoe belangrijk ook - ook maar vluchtig verschijnen van ogenblik tot ogenblik. Die zorgen en verantwoordelijkheden zijn er om in op te gaan… ‘wetend’ dat ze vluchtig zijn, veranderlijk, zonder kenbare oorsprong of kenbaar vaststaand doel. Omstandigheden zijn hoe dan ook evenzeer de éne dans die er maar is. Uit zichzelf toont zich in de ervaring die ik ben de werkelijkheid zoals die is, onafhankelijk van mijn oordelen en benoemingen. Vooraf aan een oordeel dat ik (achteraf) formuleer als een poging tot duiding of stabilisatie. Vooraf aan schuld die ik (achteraf) zou willen toekennen aan deze of gene of aan mijzelf. In de rust van de acceptatie dat DIT HET ís. Het alledaagse waarin ik sta is als een oppervlaktestructuur van het mysterie dat ik bèn en dat zich niet begrenzen laat… door niets wat ik vind of wil of doe. Het alledaagse leven is als het golvend dansen van de oceaan… Van de oceaan die dieper gelegen alles dragend is, stiller dan de stilte die ik ken, meer één dan ik benoemen kan, in ruste meer dan het diepste rusten dat ik ken. En altijd vrij in zichzelf vrij uit zichzelf golvend en vervloeiend als al wat is. Zenmeesters lachen vaak omdat ze staan in de vrijheid van het verschijnen van de ervaring die zich zomaar realiseert tot wat zijzelf zijn. Dit almaar verschijnen is hun thuis. Ze hebben dat thuis gevonden vooraf-en-voorbij elke poging tot vasthouden en beheersen. Vooraf-en-voorbij elke afscheiding die ze zouden kunnen bedenken in het ENE (gebeuren) dat zich toont uit zichzelf en uit een vrijheid die ik niet ken. Zenmeesters zijn zich één gaan ‘weten’ met het ENE. Hun leven is geworden tot de ervaring van het ENE dat zich toont en buiten dat ENE ervaren zij niet: DIT is HET. Vrij uit zichzelf, niet gebonden, niet beperkt, universeel en niet begrensd. Vrij en niet gehinderd als de LEEGTE die alles draagt. LEEGTE, die ongekende vrijheid van het NIETS waarin alles zomaar vrij-uit-zichzelf verschijnen mag. Hoe mooi dat NIETS die ontvankelijkheid - te zijn in geluk en in lijden. Tot in de laatste adem die gegeven is om niet. Zenmeesters lachen vaak. Zij hebben het leven in zijn vluchtige schoonheid doorschouwd. Geleden hebben ze aan het zoeken naar houvast, aan de poging het ego te stabiliseren en te behouden om de verandering en het lijden te ontgaan. Maar het ego, het ik, is ook maar verschijnend… is ook maar een veranderlijke stromende vorm een dans als die van de vlinder - die leeg is van zichzelf. Hoe wonderlijk mooi om niet. Zenmeesters lachen vaak. Ze zijn de vrijheid van het ENE geworden. Innerlijk zo vrij als het mysterie zelf: iets anders is er niet. Wat een wonder! Wat een pracht! Wat een schoonheid die wij in de ervaring zomaar zijn! Die wonderlijke schoonheid die ons verre overstijgt! Dank dát ik er zomaar ben, dat ik DIT meemaken mag... Kees van den Muijsenberg.
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 9 - januari 2020
Zenmeesters lachen vaak. Zenmeesters lachen vaak. Dat zij huilen lezen we niet, zover ik weet. Allen vrouw of man zijnde - kennen zij volop ‘de purperen draad’, de ervaring van het lijden en van het verdriet, die ook Boeddha’s levenslange zoektocht in gang bracht. Maar meest typerend als gemoedstoestand is voor hen toch de lach van de gelijkmoedigheid die ontspringt in het ogenblik. De zenmeester ervaart dat zij er zomaar precies is vanuit een stromen dat zij niet kent. De meester is de ervaring geworden van het zomaar verschijnen van al wat er is. Nergens anders kan iets verschijnen als in de vloeiende ervaring die zij zelf is. En die ervaring realiseert zich zomaar in dit veranderlijke ogenblik: iets anders is er niet als datgene wat er in dit ogenblik is. Zenmeesters lachen vaak om dit wonderlijke verschijnen van alles wat ze ervaren, waarnemen of gewaarworden. Altijd is het een lach van verwondering. De vlinder fladdert in de lucht en de bloem opent zich in de ochtendzon. Waarvandaan en waardoor gestuurd of bewogen? Geen enkel filosofisch of theologisch concept krijgt grip op dit om-niet verschijnen van vlinder en bloem. We hebben concepten voor het bewustzijn, voor het stromen van alle leven dat we benoemen met ‘God’ of met andere namen, ook namen afkomstig uit natuurwetenschappelijke theorieën. Maar ook die namen blijven maar namen gebaseerd op hypothesen over iets waar we niets van weten. Wat weten we over het ontstaan van de tijdloze dans die de kosmos is? Wat van het ontstaan van ons immer veranderlijke bewustzijn? En daarvandaan: wat weten we van het komen van het licht in onze ogen, of van de volgende gedachte die zomaar opkomt, het volgende woord dat we laten klinken? We denken, jawel, maar hoe ontstaat aan vlees, bloed en witte massa een gedachte of een herinnering, een verlangen of een verwachting? Allerlei verklaringen uit biologie of psychologie bieden slechts een illusoir houvast. Illusoir, dat wil zeggen: we mogen en kunnen er gerust om lachen… Zenmeesters lachen vaak. Vaak een stille lach van binnen, ongezien, intiem geworden. Ze behouden hun gelijkgestemde durende innerlijke vreugde. Hun bestaansvreugde is niet te verstoren. Hun hele leven is als en lentewandeling. Onder hun voeten ontspruit almaar de bloesem van het bestaan, het openbloeien van het mysterie dat zich in grote schoonheid wisselend en veranderlijk toont in het gewone alledaagse, in de stroom van het meest basale leven. De lentewandeling van Chuang Tzu, een prachtig klassiek schilderij waarin we de meester lichtvoetig zien voortgaan langszij de bloesem die bij zijn voeten stap na stap ontspringt. Hij kijkt de verte in waarin de majestueuze bergen hun structuur verliezen in de LEEGTE en overgaan in het universum dat zo structuurloos is als het NIETS en goudkleurig als de lucht bij zonsopkomst. Het mysterie van ons bestaan opent zich almaar tot wat wij zien, horen, ruiken, smaken, voelen, denken en willen, tot wat wij zijn. De meester is het mysterie dat zich toont. De Hartsoetra zegt dat onovertroffen: alles is - leeg van zichzelf - almaar veranderlijk verschijnend als vorm die in zichzelf geen enkele vastheid kent, als leegte die vorm is, als vorm die leegte is. Alles is de LEEGTE waarin HET verschijnt als DIT en overgaat in steeds nieuw verschijnen in veranderlijke vormen. Zonder begin: waar zou het ooit begonnen zijn? Zonder einde: waar zou dit ooit kunnen eindigen? In het éne stromen zijn geboorte en dood slechts veranderingen. Zo intens lévend... en in hetzelfde ogenblik zo intens veranderlijk, sterfelijk… Nergens anders kan HET dit ENE - zich tonen aan mij als in dit vluchtige ogenblik waarin ik er precies bèn. In haar verschijnen bèn ik het ENE. Zenmeesters lachen vaak. Ze kunnen hun glimlach meestal niet meer verbergen. Hun vreugde is meest-oorspronkelijk. Het is de vreugde van het vooraf en de vreugde van het voorbij aan alle rationaliteit, aan alle denken en maken. In die vreugde laten ze zichzelf los ‘weten’ ze zichzelf los - en ervaren ze alles wat ze zijn, zien, horen, ruiken, smaken, voelen, denken en willen als los, als opgenomen in een voortgaande dans die ze zelf zijn. Het is er toevallig precies HIER-en-NU. Als het zomaar fladderen van een vlinder die ik niet maak maar die in mijn zien gewichtloos danst in de lucht. Los. Zo gaan de meesters rond in dat aards opbloeiende leven van ons. DIT (leven) is HET (verschijnen) zondermeer… er is niets anders. Zenmeesters lachen vaak. Soms is het een schaterlach van bevrijding. Ze piekeren niet. Hun inzicht is gebaseerd op ervaring, niet op denken. Oorzaak en gevolg van de dans spelen een rol die ik niet ken en die ik niet kan overzien, ook al proberen velen er een structuur in te zien. Zen erkent dat oorzaak en gevolg er zijn, maar waar die vandaan komen en hoe die precies werken, daar weet zen niets van. De vlinder vliegt, de bloem bloeit, een kind lacht of huilt, de ervaring die de mens is realiseert zich. Karma als concept wordt afgewezen. Duizenden invloeden werken zich uit in dit unieke zich tonen in de ervaring die ik in dit éne ogenblik ben. Duizenden invloeden vloeien uit in de vlinder die danst, in de hele kosmos die beweegt, in de éne dans waarin ik meebeweeg. Maar ik ken de oorzaak niet (non-causaal), ik kan het niet analyseren of stabiliseren (non- substantieel) en die alomvattende dans is één gebeuren (non-duaal). Als het ENE dat zich realiseert tot wat ik ben: waar anders zou HET zich kunnen tonen als in de zich vloeiend realiserende ervaring die ik ben? Ik ken en kan niets buiten mijn ervaren… ik ben niets buiten dit éne stromen… Zenmeesters lachen vaak. Het kon lang duren voordat ze zich door hun lach konden en durfden laten leiden. Zich laten leiden door de lach als de diepste bevrijdende wijsheid. Dat hebben ze geleerd na zelf eindeloos naar houvast te hebben gezocht. Hun vreugde is gerijpt. Hun grijpen is voorbij. Hun lachen is niet cynisch. Veeleer is het de herkenning van de eigenlijke aard van het menselijke bestaan, van het grote stille en roerloze niet-weten vooraf en voorbij de grote (denkende) twijfel van het almaar toch willen en moeten vinden van een (bedacht) houvast dat er niet is. Daaraan zijn ze nu voorbij, en in de éénheid van hun lichaam/geest genieten ze het leven zonder nog greep te willen krijgen op de ervaring die zich vloeiend voordoet als wat ze zelf zijn. Zij houden van dit vervloeiende leven zoals het is. Ze staan in verwondering dàt ze er zomaar zijn, dat alles gave is ik-weet- niet-waarvandaan. Ze staan in de dankbaarheid er zomaar precies te zijn. Verwondering en dankbaarheid dat het ENE zich zo toont, vluchtig en veranderlijk uit zichzelf. Vrij uit zichzelf toont het ENE zich HIER-en-NU… en er is niets anders. Het toont zich als het denken, willen, zien, horen, ruiken, smaken en tasten dat ik in dit ogenblik bèn voorafgaande aan wat ik (later) ervan denk of wat ik er (later) mee wil… De vreugde van de zenmeesters is méést-oorspronkelijk, ontspringend aan beter ontspringend in de oorsprong die zich onmiddellijk en onbemiddeld toont… Non-duaal: er is slechts het ENE dat stroomt, dat verschijnt, dat vloeit, dat zich veranderlijk toont als wat ik met een glimlach in dit ogenblik ben. Zenmeesters lachen vaak. Hun lach laat zien dat ze van dit leven houden. Maar hun lachen is geen nihilisme. Ze houden van het leven zoals dat zich in het ogenblik voordoet. Dat is het eerste - nee - dat is het énige: er is niets anders als wat in dit éne ogenblik verschijnt… HET toont zich als DIT. Daarin integreren zich al hun herinneringen die nergens anders kunnen opdoemen als in dit HIER-en-NU. Daarin komt ook hun verlangen op. ‘Gisteren’ kunnen ze niet herhalen en ‘morgen’ kunnen ze nog niet doen…. Slechts HIER- en-NU ben ik en doe ik, denk ik, verlang ik, verwacht ik. En dat is mijn leven, het leven, de prachtige wereld waarin ik sta. Het is niet niks dat mijn meest geliefde medemens zomaar verschijnt in(!) de unieke ervaring die ik ben(!) Mijzelf doorschouwend en vandaaruit ziende hoe kwetsbaar vluchtig het leven van de ander is - zoals het mijne. In dit gedeelde HIER- en-NU, in deze volle presentie, kan mededogen ontspringen: de ervaring van het één zijn van mijzelf en de ander in het éne vluchtige ogenblik van verschijnen. In het MU van meester Joshu. In het éne gebeuren dat er maar is en waar we onszelf en de ander aantreffen, zomaar om niet. In de éne dans van de vlinder - en van al wat is van wat wij zelf zijn. We zijn al één - we zijn al het ENE voordat we erover kunnen denken of spreken. Zenmeesters lachen vaak. Maar nooit goedkoop of oppervlakkig. Hun durende vreugde is gerijpt. In goede en kwade dagen, los blijvend van een toevallig oordeel. Vrij meegaande in het alledaagse leven met zijn zorgen en verantwoordelijkheden die hoe belangrijk ook - ook maar vluchtig verschijnen van ogenblik tot ogenblik. Die zorgen en verantwoordelijkheden zijn er om in op te gaan… ‘wetend’ dat ze vluchtig zijn, veranderlijk, zonder kenbare oorsprong of kenbaar vaststaand doel. Omstandigheden zijn hoe dan ook evenzeer de éne dans die er maar is. Uit zichzelf toont zich in de ervaring die ik ben de werkelijkheid zoals die is, onafhankelijk van mijn oordelen en benoemingen. Vooraf aan een oordeel dat ik (achteraf) formuleer als een poging tot duiding of stabilisatie. Vooraf aan schuld die ik (achteraf) zou willen toekennen aan deze of gene of aan mijzelf. In de rust van de acceptatie dat DIT HET ís. Het alledaagse waarin ik sta is als een oppervlaktestructuur van het mysterie dat ik bèn en dat zich niet begrenzen laat… door niets wat ik vind of wil of doe. Het alledaagse leven is als het golvend dansen van de oceaan… Van de oceaan die dieper gelegen alles dragend is, stiller dan de stilte die ik ken, meer één dan ik benoemen kan, in ruste meer dan het diepste rusten dat ik ken. En altijd vrij in zichzelf vrij uit zichzelf golvend en vervloeiend als al wat is. Zenmeesters lachen vaak omdat ze staan in de vrijheid van het verschijnen van de ervaring die zich zomaar realiseert tot wat zijzelf zijn. Dit almaar verschijnen is hun thuis. Ze hebben dat thuis gevonden vooraf-en-voorbij elke poging tot vasthouden en beheersen. Vooraf-en- voorbij elke afscheiding die ze zouden kunnen bedenken in het ENE (gebeuren) dat zich toont uit zichzelf en uit een vrijheid die ik niet ken. Zenmeesters zijn zich één gaan ‘weten’ met het ENE. Hun leven is geworden tot de ervaring van het ENE dat zich toont en buiten dat ENE ervaren zij niet: DIT is HET. Vrij uit zichzelf, niet gebonden, niet beperkt, universeel en niet begrensd. Vrij en niet gehinderd als de LEEGTE die alles draagt. LEEGTE, die ongekende vrijheid van het NIETS waarin alles zomaar vrij-uit-zichzelf verschijnen mag. Hoe mooi dat NIETS die ontvankelijkheid - te zijn in geluk en in lijden. Tot in de laatste adem die gegeven is om niet. Zenmeesters lachen vaak. Zij hebben het leven in zijn vluchtige schoonheid doorschouwd. Geleden hebben ze aan het zoeken naar houvast, aan de poging het ego te stabiliseren en te behouden om de verandering en het lijden te ontgaan. Maar het ego, het ik, is ook maar verschijnend… is ook maar een veranderlijke stromende vorm een dans als die van de vlinder - die leeg is van zichzelf. Hoe wonderlijk mooi om niet. Zenmeesters lachen vaak. Ze zijn de vrijheid van het ENE geworden. Innerlijk zo vrij als het mysterie zelf: iets anders is er niet. Wat een wonder! Wat een pracht! Wat een schoonheid die wij in de ervaring zomaar zijn! Die wonderlijke schoonheid die ons verre overstijgt! Dank dát ik er zomaar ben, dat ik DIT meemaken mag... Kees van den Muijsenberg.