ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 11 - mei 2020
Het zitten van Willigis Jaeger (1) Op 20 maart 2020 om 9.20u. overleed Willigis Jaeger. De dag en het uur van zijn sterven zal ik niet vergeten. Op precies dat uur zat ik samen met verpleger Gerard die mij begeleidde in het ziekenhuis waar de oncoloog ons vertelde dat 25 maal bestralen niet echt had geholpen: ‘Hij (de tumor) zit er nog gewoon…!’, zei hij met enige verbazing. Thuisgekomen ontving ik later op de dag het bericht dat Willigis op 95 jarige leeftijd op dat uur overleden was. Meer berichten volgden op internet. Zijn belangrijkste interviews werden op Youtube ineens weer veelvuldig ‘gestreamed’. Zijn levensloop, de betekenis van zijn leven en van zijn 26 boeken werden aangehaald. Wie zich nu in het leven en werken van Willigis wil verdiepen kan overal terecht. Maar wat zijn eigenlijk voor mij persoonlijk de typerende herinneringen aan de twee jaar dat ik bij hem langszij mocht komen en onderricht van hem kreeg? Twee dingen springen er uit. Het eerste is dat - zover ik kan nagaan hij in alle teisho’s (zen-toespraken) die hij toen gaf de koan Mumonkan 6 gebruikte: ‘Boeddha houdt een bloem omhoog’. Het tweede is dat hij in de mondo’s (dialogen met een groep) steeds zijn gesprekspartners het advies gaf de metafoor ‘elke golf is de oceaan’ levenslang met zich mee te dragen. ‘Er is voor je leven géén dieper gaande metafoor als deze’, placht hij dan te zeggen. Mijn herinnering aan Willigis wil ik proberen vruchtbaar te maken in twee zenbrieven over deze twee kernpunten van zijn onderricht. Dat is voor mij ook de mooiste manier om dankbaar te zijn voor het gegeven dat ik deze man mocht ontmoeten in mijn leven. ‘Ik ken geen ‘ruimer mens’ als Jaeger’, vertrouwde ik in de loop der jaren aan mensen toe als die vroegen wat ik er aan had gehad bij Jaeger vertoeft te mogen hebben. In ervaringstaal de ik-vorm en de hij-vorm vermengd - wil ik proberen er iets van te laten zien. Mumonkan 6: Eens, lang geleden, toen hij op de gierberg vertoefde, hield de Verhevene een bloem omhoog, draaide die tussen zijn vingers en toonde haar aan hen die verzameld waren. Iedereen zweeg. Alleen de eerwaarde Kashyapa glimlachte. De Verhevene sprak: ‘Ik bezit het kostbare oog van de ware dharma, de wonderbaarlijke geest van het nirvana, de ware vorm van de niet-vorm, de geheimzinnige dharmapoort. Het is niet afhankelijk van letters, maar wordt op bijzondere wijze buiten iedere leer overgedragen. Thans vertrouw ik het toe aan Mahakashyapa.” Afbeeldingen van deze koan tonen Boeddha zittend. Het zitten was voor Jaeger belangrijk. Daarin was hij bijzonder streng misschien was het één van de dingen waarin hij streng bleef ten einde toe. Ik heb de indruk dat voor Jaeger zen eerst en vooral za-zen was, zittend zen. In 2011 deed ik mee aan een pittige sesshin waarin hij de leiding had overgedragen aan een andere meester. De laatste dag kreeg ik last van een zenuwafsluiting. Enige tijd kon ik niet meer zitten zonder een stekende pijn en daarna kon ik amper nog lopen. Een collega zenleraar die arts was controleerde mijn been en onderrug en de dienstdoende zenmeester gaf mij het advies te gaan wandelen terwijl de anderen nog enkele malen in de zendo in zazen gingen. Jaeger kwam mij achterop en vroeg mij op nogal straffe toon waarom ik niet meer mee zat. Na mijn uitleg stemde hij met moeite in. Een onvergetelijk moment waarin ik aan hem zag hoezeer hij belang hechtte aan het volgehouden zitten in stilte… Wat had hij zelf meegemaakt in het volgehouden zitten? Waarom was het zitten in stilte zijn klassieke advies aan velen die met allerlei vragen, vaak vol van onrust en angst, bij hem kwamen? Ik vermoed dat dit alles te maken had met zijn persoonlijke weg. Willigis was een buitengewoon wilskrachtige man. Een krachtmens naar lichaam en geest. Wat hij zich voornam gaf hij niet zomaar op. Er is een prachtig jeugdverhaal dat deze karaktereigenschap illustreert. Als jongen ging hij met een zusje naar een hardloopwedstrijd kijken. Zijn zusje raakte onder de indruk van de eerste prijs die al voor de aanvang stond uitgestald: een prachtige beker die zij best graag zou willen hebben. Willigis bedacht zich geen ogenblik. Hij liet zich inschrijven, leende een korte broek en won de beker… op pure wilskracht. Die uitzonderlijk sterke wilskracht zou hem nog vaak van pas komen, maar bezorgde hem ook de meest diepgaande én meest vruchtbare crisis(!) van zijn leven. Hij moest door veel heen om zijn kracht vanuit een grote innerlijke vrijheid te leren gebruiken. Enkele voorbeelden die mij bekend zijn. Als negentienjarige werd hij opgeroepen voor dienst aan het front. Hij was er maar even: hij werd door een schouder geschoten en werd zwaar gewond afgevoerd. Op een vrachtwagen liggend was plots alle eigenmacht naar lichaam en geest gebroken en ervoer hij, met de dood voor ogen, plots het radicale niet-kunnen, het alomvattende en indringende niets-meer-kunnen, dat zomaar gebeurde. Jaren later, na zijn studietijd ervoer hij dat niet-kunnen nogmaals zeer indringend, en nu ook langdurig. Werkzaam bij een missieorganisatie reisde hij in de Derde Wereld enkele jaren lang door de armoede, de honger en het sterven heen, om te ontdekken dat die noodsituaties vaak onoplosbaar waren. Dat er erg veel noodlottige ellende gebeurde aan mensen waar de maakbaarheid en de politieke besluitvorming geen grip op bleken te krijgen. Onaanzienlijk leed zag hij in overvloed. Schrijnend leed dat er zomaar was, steeds weer. Wat hij ook maar probeerde in woord en daad om het te lenigen, vaak kon hij niets anders als accepteren dát het zó was. Al reizend leerde hij in Japan zen kennen. Zijn belangstelling voor zen was groot vanuit zijn studie van de westerse mystiek. Toch bracht zen hem verder. Zen bracht hem - als mystiek begaafd mens die van nature activistisch was - in een diepgaande crisis. Altijd nog op wilskracht beoefende hij in Japan het stille zitten. Hij dwong zichzelf in de lotushouding waar hij later voor de rest van zijn leven een kapotte knie aan overhield. Maar hij zat! Dat moest en dat zou - om uit eigen kracht spirituele groei af te dwingen. Totdat hij (ook) daarin volkomen vastliep. Totdat hij de beklemmende ervaring opdeed dat in het onbeweeglijke stille zitten zijn leven-uit-(zelf)beheersing werd (open)gebroken. Zelf vertelde hij daarover dat hij meende in die fase van het gaan van de weg gek te worden. Een geweldige strijd moest hij aangaan met precies datgene dat hem tot deze sterke Willigis had gemaakt! Juist daar waar de zo gezochte ervaring van een alomvattende eenheid zich aandiende… viel hem elke vorm van beheersing uit handen. De crisis van zijn leven in religieuze en politieke concepten - van leven voor God en voor het Rijk Gods dat komen moest - diende zich aan waar zen hem leerde dat er niets anders is als dat wat zich zomaar uit het NIETS in dit ogenblik toont. Vanuit het Ene dat er maar is, en dat ik niet kan benoemen of bedenken. Ook niet met de hem zo vertrouwde beeldspraak van de religies en van de mystiek. Vanuit zijn studie van de mystiek moet hij dit op rationeel niveau reeds eerder hebben ‘geweten’, maar nu het zijn ervaring te binnen kwam verloor dat rationele ‘weten’ plots zijn betekenis. Er was iets veel diepers. Zonder er nog woorden voor te hebben ervoer Jaeger nu dat ook zijn hele persoon iets was wat zich oorspronkelijk zomaar realiseerde, vooraf gaande aan elke vorm van de eigen wil, voorafgaande aan het eigen maken, denken en weten, voorafgaande aan het eigen doen… Wat iemand is… realiseert zich precies in dit hier en nu. Ook het denken, weten, willen en doen zijn er zomaar… In het gewenste en in het niet-gewenste dat zich zomaar voordoet. Vanuit een vrijheid die ik niet bepaal, die ik niet beheers, die ik niet begrens. Het bewustzijn, het leven, al wat er maar is… overkomt mij: ik maak of bedenk ze niet. In contact te komen met datgene wat (goddelijk) vrij en creatief alles gevend is - dat was Jaegers grote wens en zijn religieuze streven vanuit zijn kennismaking met de westerse mystiek. Pijnlijk ontdekte hij in het stille zitten dan hij daarvoor vrij moest worden van wat hij wilde of dacht… Omdat elk willen en elk denken meest-oorspronkelijk (al) gaven zijn die zich zomaar in mij realiseren. Omdat elk willen en elk denken zich zomaar voordoen als het bewustzijn dat zich realiseert… en dat ik (al) ben voorafgaande aan mijn eigen initiatief. De (gods)beelden die ik toevallig opdeed en die mij tot een houvast zijn geworden kunnen een barrière worden, een poort om door te gaan en achter mij te laten, omdat zij (beeldend) bepalen en begrenzen wat niet te bepalen en niet te begrenzen is. Alles is er zomaar… en naarmate een mens zich wil openstellen voor het niet-gekende en niet-begrensde dat zich precies aan hem toont, in die mate zal hij begrenzende concepten en bepalende gedachten moeten los-laten. Hoe vaster ik concepten in mij draag… hoe moeilijker de weg zal zijn naar de ervaring van het Ene dat ik niet kennen en niet beheersen kan, naar de ervaring van het NIETS dat alles dragend is. ‘Es gibt nichts anderes als dieses HIER und JETZT!’, bleef Jaeger herhalen. Er is geen andere ervaarbare tijd als het NU waarin alles verschijnt zoals het is. Er is geen andere plaats van ervaren als het HIER waar al wat er is zich realiseert. En ikzelf ben de (enig ervaarbare) ontgrensde ruimte… waarin zich dat kan voordoen, waarin dat alles zich integreert. Vanuit het niet-bepaalde, vanuit het niet-begrensde dat ik niet ken en dat ik niet maak. Vanuit het NIETS. Vanuit een ruimte die ik niet bedenken kan… en waar ik geen woorden voor heb. Willigis benadrukte dat er niets mooiers is als het eigen beperkte ego los te laten… en het vloeiend één te laten zijn met de niet-bepaalde ruimte die het in de zen-ervaring zelf is(!) De zen-ervaring leert mij geleidelijk aan mijzelf te ervaren als een onnoembare ruimte… waarin ikzelf verschijn… in hetzelfde ogenblik waarin al wat er zomaar is… aan mij verschijnt… In 2012 ben ik nog eens naar Holzkirchen gereden (500 km.) voor een kort gesprekje over het ego dat nog geen 10 minuten duurde. Hij moedigde mij aan de zen- weg voort te zetten. Je zult een ruimte gaan ontdekken die je eerder nooit ervaren hebt, zo beval hij mij met een glimlach aan. In zijn geschriften maakt Jaeger voortdurend duidelijk dat ook de christelijke mythen, verhalen en geloofsmodellen slechts waarde hebben als ze verwijzen naar het niet- noembare, het niet-kenbare. Naar een ruimte die zoveel groter is… Wie (ook) de christelijk-religieuze modellen stabiliseert en vaste inhoud geeft sluit zich er (onbewust) in op. Die beelden los te laten is een belangrijk crisismoment waar christenen die de zen- weg gaan doorheen moeten… willen ze uitkomen bij de ervaring van het Ene dat zich openbaart in alles wat ze zelf zijn, in alles wat er maar is. In 2011 was ik er getuige van hoe Willigis na een discussie alle aanwezige meditatie- leraren van zijn ‘Meditationslinie Wolke des Nicht-Wissens’ hun leerbevoegdheid ontnam(!) De schok was groot. Eenieder kon daarna met hem in gesprek gaan en daar blijk geven van het besef van het non-duale Ene dat voorafgaat aan elk religieus beeld dat men (ook als christen) kent… om dan de leerbevoegdheid nieuw te ontvangen. Wie zich bleef vasthouden aan begrenzende waarheden, mythen, beelden, verhalen en concepten… die kon gaan, de ‘Meditationslinie Wolke des Nicht-Wissens’ verlaten om een eigen weg te gaan. Maar die weg is niet de zen-weg. Hier zag ik ook de uitermate strenge zenmeester aan het werk die waar het over non-dualiteit ging aanvoelde dat hij in het belang van precies het mooiste van de zen-weg geen dwaalweg kon en mocht accepteren. ‘Es gibt nur das Eine! - Es gibt nur DIES!’ Mumonkan 6. Zolang hij kon zat Jaeger mee met zijn leerlingen, ook toen hij niet meer in staat was het woord te nemen. Hij werd begeleid, in de arm genomen, totdat hij op zijn zit-kist zat. Het zitten in stilte was zijn thuis geworden, het thuis waar hij anderen verwelkomde die met hem wilden zitten. De berg van koan 6 waarop Boeddha zat, het universum, het Ene, gééft al wat er is: de bloem die zomaar precies in schoonheid verschijnt in het ogenblik van zien, de mens die daar zit en de bloem speels tussen de vingers draait, en hen die daar verzameld waren… Alles is er zómaar… voorafgaande aan mijn maken of willen, voorafgaande aan mijn denken en doen… Uit de vrijheid van het onbepaalde NIETS waarin precies DÍT zich zomaar realiseert. In de onmetelijke ruimte die ik zelf ben… Mumonkan 6. Willigis kon getuigen van zijn eenzaamheid waarin hij doorleefde dat de zen-ervaring niet met woorden of letters is over te dragen. Hij bleef dan stil zitten, liet de woorden voor wat ze waren. Zijn zitten was dan het onderricht ver voorbij de woorden. Als het ware met de bloem, met de schoonheid die zich almaar toont, in de hand. Het was zeer alledaags en blijmoedig, dat zitten van hem, zonder gewaden, zonder toeters en bellen, met een minimum aan ritueel er omheen. Zonder alles wat de weg naar dat onnoembare thuis kon afleiden of vertroebelen. Mumonkan 6. Er is nog iets wat Jaeger altijd deed, tot in het dankbriefje dat de abt van het klooster voorlas tijdens zijn uitvaart, geschreven of gedicteerd enkele dagen voor zijn sterven. Hij begon graag met te danken dat je ‘er was’ en zo dankte hij ook steeds grote groepen mensen die ‘er waren’. ‘Es freut mich das Sie da sind!’ was het refrein van zijn begroeting. Blij dat je er zomaar was… Er valt niets door te geven. Maar hij was dankbaar voor eenieder die zich openstelde voor de zen-ervaring. Dankbaar voor de gedeelde ervaring en voor de glimlach van erkenning zoals die in de koan wordt genoemd. Als zenmeester wilde hij dienstbaar zijn aan de ervaring van anderen. De glimlach van Kashyapa gaf hem het geluk van zijn leven, de ontmoeting met zijn leerlingen. Dat voelde je steeds als je bij hem was. En dat deed eenieder goed ver voorbij de woorden. Tenslotte: Mumonkan 6. Die koan komt na koan 1, Joshu die aanreikt dat alles er zomaar is zoals elke ademtocht er zomaar precies is. Na koan 2, die elke rationele verklaring voor oorzaak en gevolg (karma) afwijst. Na koan 3, Gutei’s vinger die slechts het ENE kent. Na koan 4 die aanreikt dat een mens zelf de Leegte is, die onmetelijke ruimte van het NIETS waaruit en waarin de barbaar zomaar zichzelf en zijn baard ontvangt. Na koan 5, die ons leert elk houvast achter ons te laten. Daarna komt koan 6: het zitten dat zich zomaar realiseert als beeld voor heel ons dagelijkse bestaan dat zich zomaar precies vrij realiseert uit het Ene dat wij niet kennen maar wel zelf zijn. Uit het NIETS. Wat een ruimte! Wat een rust! Wat een vrijheid! Meer is er niet te zeggen. Al gaat de Mumonkan door met op deze 6 koans eindeloos te variëren en uit te nodigen de zen-weg te gaan. Kees van den Muijsenberg.
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 11 - mei 2020
Het zitten van Willigis Jaeger (1) Op 20 maart 2020 om 9.20u. overleed Willigis Jaeger. De dag en het uur van zijn sterven zal ik niet vergeten. Op precies dat uur zat ik samen met verpleger Gerard die mij begeleidde in het ziekenhuis waar de oncoloog ons vertelde dat 25 maal bestralen niet echt had geholpen: ‘Hij (de tumor) zit er nog gewoon…!’, zei hij met enige verbazing. Thuisgekomen ontving ik later op de dag het bericht dat Willigis op 95 jarige leeftijd op dat uur overleden was. Meer berichten volgden op internet. Zijn belangrijkste interviews werden op Youtube ineens weer veelvuldig ‘gestreamed’. Zijn levensloop, de betekenis van zijn leven en van zijn 26 boeken werden aangehaald. Wie zich nu in het leven en werken van Willigis wil verdiepen kan overal terecht. Maar wat zijn eigenlijk voor mij persoonlijk de typerende herinneringen aan de twee jaar dat ik bij hem langszij mocht komen en onderricht van hem kreeg? Twee dingen springen er uit. Het eerste is dat - zover ik kan nagaan hij in alle teisho’s (zen- toespraken) die hij toen gaf de koan Mumonkan 6 gebruikte: ‘Boeddha houdt een bloem omhoog’. Het tweede is dat hij in de mondo’s (dialogen met een groep) steeds zijn gesprekspartners het advies gaf de metafoor ‘elke golf is de oceaan’ levenslang met zich mee te dragen. ‘Er is voor je leven géén dieper gaande metafoor als deze’, placht hij dan te zeggen. Mijn herinnering aan Willigis wil ik proberen vruchtbaar te maken in twee zenbrieven over deze twee kernpunten van zijn onderricht. Dat is voor mij ook de mooiste manier om dankbaar te zijn voor het gegeven dat ik deze man mocht ontmoeten in mijn leven. ‘Ik ken geen ‘ruimer mens’ als Jaeger’, vertrouwde ik in de loop der jaren aan mensen toe als die vroegen wat ik er aan had gehad bij Jaeger vertoeft te mogen hebben. In ervaringstaal de ik-vorm en de hij-vorm vermengd - wil ik proberen er iets van te laten zien. Mumonkan 6: Eens, lang geleden, toen hij op de gierberg vertoefde, hield de Verhevene een bloem omhoog, draaide die tussen zijn vingers en toonde haar aan hen die verzameld waren. Iedereen zweeg. Alleen de eerwaarde Kashyapa glimlachte. De Verhevene sprak: ‘Ik bezit het kostbare oog van de ware dharma, de wonderbaarlijke geest van het nirvana, de ware vorm van de niet-vorm, de geheimzinnige dharmapoort. Het is niet afhankelijk van letters, maar wordt op bijzondere wijze buiten iedere leer overgedragen. Thans vertrouw ik het toe aan Mahakashyapa.” Afbeeldingen van deze koan tonen Boeddha zittend. Het zitten was voor Jaeger belangrijk. Daarin was hij bijzonder streng misschien was het één van de dingen waarin hij streng bleef ten einde toe. Ik heb de indruk dat voor Jaeger zen eerst en vooral za-zen was, zittend zen. In 2011 deed ik mee aan een pittige sesshin waarin hij de leiding had overgedragen aan een andere meester. De laatste dag kreeg ik last van een zenuwafsluiting. Enige tijd kon ik niet meer zitten zonder een stekende pijn en daarna kon ik amper nog lopen. Een collega zenleraar die arts was controleerde mijn been en onderrug en de dienstdoende zenmeester gaf mij het advies te gaan wandelen terwijl de anderen nog enkele malen in de zendo in zazen gingen. Jaeger kwam mij achterop en vroeg mij op nogal straffe toon waarom ik niet meer mee zat. Na mijn uitleg stemde hij met moeite in. Een onvergetelijk moment waarin ik aan hem zag hoezeer hij belang hechtte aan het volgehouden zitten in stilte… Wat had hij zelf meegemaakt in het volgehouden zitten? Waarom was het zitten in stilte zijn klassieke advies aan velen die met allerlei vragen, vaak vol van onrust en angst, bij hem kwamen? Ik vermoed dat dit alles te maken had met zijn persoonlijke weg. Willigis was een buitengewoon wilskrachtige man. Een krachtmens naar lichaam en geest. Wat hij zich voornam gaf hij niet zomaar op. Er is een prachtig jeugdverhaal dat deze karaktereigenschap illustreert. Als jongen ging hij met een zusje naar een hardloopwedstrijd kijken. Zijn zusje raakte onder de indruk van de eerste prijs die al voor de aanvang stond uitgestald: een prachtige beker die zij best graag zou willen hebben. Willigis bedacht zich geen ogenblik. Hij liet zich inschrijven, leende een korte broek en won de beker… op pure wilskracht. Die uitzonderlijk sterke wilskracht zou hem nog vaak van pas komen, maar bezorgde hem ook de meest diepgaande én meest vruchtbare crisis(!) van zijn leven. Hij moest door veel heen om zijn kracht vanuit een grote innerlijke vrijheid te leren gebruiken. Enkele voorbeelden die mij bekend zijn. Als negentienjarige werd hij opgeroepen voor dienst aan het front. Hij was er maar even: hij werd door een schouder geschoten en werd zwaar gewond afgevoerd. Op een vrachtwagen liggend was plots alle eigenmacht naar lichaam en geest gebroken en ervoer hij, met de dood voor ogen, plots het radicale niet-kunnen, het alomvattende en indringende niets-meer- kunnen, dat zomaar gebeurde. Jaren later, na zijn studietijd ervoer hij dat niet-kunnen nogmaals zeer indringend, en nu ook langdurig. Werkzaam bij een missieorganisatie reisde hij in de Derde Wereld enkele jaren lang door de armoede, de honger en het sterven heen, om te ontdekken dat die noodsituaties vaak onoplosbaar waren. Dat er erg veel noodlottige ellende gebeurde aan mensen waar de maakbaarheid en de politieke besluitvorming geen grip op bleken te krijgen. Onaanzienlijk leed zag hij in overvloed. Schrijnend leed dat er zomaar was, steeds weer. Wat hij ook maar probeerde in woord en daad om het te lenigen, vaak kon hij niets anders als accepteren dát het zó was. Al reizend leerde hij in Japan zen kennen. Zijn belangstelling voor zen was groot vanuit zijn studie van de westerse mystiek. Toch bracht zen hem verder. Zen bracht hem - als mystiek begaafd mens die van nature activistisch was - in een diepgaande crisis. Altijd nog op wilskracht beoefende hij in Japan het stille zitten. Hij dwong zichzelf in de lotushouding waar hij later voor de rest van zijn leven een kapotte knie aan overhield. Maar hij zat! Dat moest en dat zou - om uit eigen kracht spirituele groei af te dwingen. Totdat hij (ook) daarin volkomen vastliep. Totdat hij de beklemmende ervaring opdeed dat in het onbeweeglijke stille zitten zijn leven-uit- (zelf)beheersing werd (open)gebroken. Zelf vertelde hij daarover dat hij meende in die fase van het gaan van de weg gek te worden. Een geweldige strijd moest hij aangaan met precies datgene dat hem tot deze sterke Willigis had gemaakt! Juist daar waar de zo gezochte ervaring van een alomvattende eenheid zich aandiende… viel hem elke vorm van beheersing uit handen. De crisis van zijn leven in religieuze en politieke concepten - van leven voor God en voor het Rijk Gods dat komen moest - diende zich aan waar zen hem leerde dat er niets anders is als dat wat zich zomaar uit het NIETS in dit ogenblik toont. Vanuit het Ene dat er maar is, en dat ik niet kan benoemen of bedenken. Ook niet met de hem zo vertrouwde beeldspraak van de religies en van de mystiek. Vanuit zijn studie van de mystiek moet hij dit op rationeel niveau reeds eerder hebben ‘geweten’, maar nu het zijn ervaring te binnen kwam verloor dat rationele ‘weten’ plots zijn betekenis. Er was iets veel diepers. Zonder er nog woorden voor te hebben ervoer Jaeger nu dat ook zijn hele persoon iets was wat zich oorspronkelijk zomaar realiseerde, vooraf gaande aan elke vorm van de eigen wil, voorafgaande aan het eigen maken, denken en weten, voorafgaande aan het eigen doen… Wat iemand is… realiseert zich precies in dit hier en nu. Ook het denken, weten, willen en doen zijn er zomaar… In het gewenste en in het niet-gewenste dat zich zomaar voordoet. Vanuit een vrijheid die ik niet bepaal, die ik niet beheers, die ik niet begrens. Het bewustzijn, het leven, al wat er maar is… overkomt mij: ik maak of bedenk ze niet. In contact te komen met datgene wat (goddelijk) vrij en creatief alles gevend is - dat was Jaegers grote wens en zijn religieuze streven vanuit zijn kennismaking met de westerse mystiek. Pijnlijk ontdekte hij in het stille zitten dan hij daarvoor vrij moest worden van wat hij wilde of dacht… Omdat elk willen en elk denken meest- oorspronkelijk (al) gaven zijn die zich zomaar in mij realiseren. Omdat elk willen en elk denken zich zomaar voordoen als het bewustzijn dat zich realiseert… en dat ik (al) ben voorafgaande aan mijn eigen initiatief. De (gods)beelden die ik toevallig opdeed en die mij tot een houvast zijn geworden kunnen een barrière worden, een poort om door te gaan en achter mij te laten, omdat zij (beeldend) bepalen en begrenzen wat niet te bepalen en niet te begrenzen is. Alles is er zomaar… en naarmate een mens zich wil openstellen voor het niet-gekende en niet-begrensde dat zich precies aan hem toont, in die mate zal hij begrenzende concepten en bepalende gedachten moeten los-laten. Hoe vaster ik concepten in mij draag… hoe moeilijker de weg zal zijn naar de ervaring van het Ene dat ik niet kennen en niet beheersen kan, naar de ervaring van het NIETS dat alles dragend is. ‘Es gibt nichts anderes als dieses HIER und JETZT!’, bleef Jaeger herhalen. Er is geen andere ervaarbare tijd als het NU waarin alles verschijnt zoals het is. Er is geen andere plaats van ervaren als het HIER waar al wat er is zich realiseert. En ikzelf ben de (enig ervaarbare) ontgrensde ruimte… waarin zich dat kan voordoen, waarin dat alles zich integreert. Vanuit het niet-bepaalde, vanuit het niet-begrensde dat ik niet ken en dat ik niet maak. Vanuit het NIETS. Vanuit een ruimte die ik niet bedenken kan… en waar ik geen woorden voor heb. Willigis benadrukte dat er niets mooiers is als het eigen beperkte ego los te laten… en het vloeiend één te laten zijn met de niet- bepaalde ruimte die het in de zen-ervaring zelf is(!) De zen-ervaring leert mij geleidelijk aan mijzelf te ervaren als een onnoembare ruimte… waarin ikzelf verschijn… in hetzelfde ogenblik waarin al wat er zomaar is… aan mij verschijnt… In 2012 ben ik nog eens naar Holzkirchen gereden (500 km.) voor een kort gesprekje over het ego dat nog geen 10 minuten duurde. Hij moedigde mij aan de zen-weg voort te zetten. Je zult een ruimte gaan ontdekken die je eerder nooit ervaren hebt, zo beval hij mij met een glimlach aan. In zijn geschriften maakt Jaeger voortdurend duidelijk dat ook de christelijke mythen, verhalen en geloofsmodellen slechts waarde hebben als ze verwijzen naar het niet-noembare, het niet-kenbare. Naar een ruimte die zoveel groter is… Wie (ook) de christelijk- religieuze modellen stabiliseert en vaste inhoud geeft sluit zich er (onbewust) in op. Die beelden los te laten is een belangrijk crisismoment waar christenen die de zen- weg gaan doorheen moeten… willen ze uitkomen bij de ervaring van het Ene dat zich openbaart in alles wat ze zelf zijn, in alles wat er maar is. In 2011 was ik er getuige van hoe Willigis na een discussie alle aanwezige meditatie- leraren van zijn ‘Meditationslinie Wolke des Nicht-Wissens’ hun leerbevoegdheid ontnam(!) De schok was groot. Eenieder kon daarna met hem in gesprek gaan en daar blijk geven van het besef van het non- duale Ene dat voorafgaat aan elk religieus beeld dat men (ook als christen) kent… om dan de leerbevoegdheid nieuw te ontvangen. Wie zich bleef vasthouden aan begrenzende waarheden, mythen, beelden, verhalen en concepten… die kon gaan, de ‘Meditationslinie Wolke des Nicht- Wissens’ verlaten om een eigen weg te gaan. Maar die weg is niet de zen-weg. Hier zag ik ook de uitermate strenge zenmeester aan het werk die waar het over non-dualiteit ging aanvoelde dat hij in het belang van precies het mooiste van de zen- weg geen dwaalweg kon en mocht accepteren. ‘Es gibt nur das Eine! - Es gibt nur DIES!’ Mumonkan 6. Zolang hij kon zat Jaeger mee met zijn leerlingen, ook toen hij niet meer in staat was het woord te nemen. Hij werd begeleid, in de arm genomen, totdat hij op zijn zit-kist zat. Het zitten in stilte was zijn thuis geworden, het thuis waar hij anderen verwelkomde die met hem wilden zitten. De berg van koan 6 waarop Boeddha zat, het universum, het Ene, gééft al wat er is: de bloem die zomaar precies in schoonheid verschijnt in het ogenblik van zien, de mens die daar zit en de bloem speels tussen de vingers draait, en hen die daar verzameld waren… Alles is er zómaar… voorafgaande aan mijn maken of willen, voorafgaande aan mijn denken en doen… Uit de vrijheid van het onbepaalde NIETS waarin precies DÍT zich zomaar realiseert. In de onmetelijke ruimte die ik zelf ben… Mumonkan 6. Willigis kon getuigen van zijn eenzaamheid waarin hij doorleefde dat de zen-ervaring niet met woorden of letters is over te dragen. Hij bleef dan stil zitten, liet de woorden voor wat ze waren. Zijn zitten was dan het onderricht ver voorbij de woorden. Als het ware met de bloem, met de schoonheid die zich almaar toont, in de hand. Het was zeer alledaags en blijmoedig, dat zitten van hem, zonder gewaden, zonder toeters en bellen, met een minimum aan ritueel er omheen. Zonder alles wat de weg naar dat onnoembare thuis kon afleiden of vertroebelen. Mumonkan 6. Er is nog iets wat Jaeger altijd deed, tot in het dankbriefje dat de abt van het klooster voorlas tijdens zijn uitvaart, geschreven of gedicteerd enkele dagen voor zijn sterven. Hij begon graag met te danken dat je ‘er was’ en zo dankte hij ook steeds grote groepen mensen die ‘er waren’. ‘Es freut mich das Sie da sind!’ was het refrein van zijn begroeting. Blij dat je er zomaar was… Er valt niets door te geven. Maar hij was dankbaar voor eenieder die zich openstelde voor de zen- ervaring. Dankbaar voor de gedeelde ervaring en voor de glimlach van erkenning zoals die in de koan wordt genoemd. Als zenmeester wilde hij dienstbaar zijn aan de ervaring van anderen. De glimlach van Kashyapa gaf hem het geluk van zijn leven, de ontmoeting met zijn leerlingen. Dat voelde je steeds als je bij hem was. En dat deed eenieder goed ver voorbij de woorden. Tenslotte: Mumonkan 6. Die koan komt na koan 1, Joshu die aanreikt dat alles er zomaar is zoals elke ademtocht er zomaar precies is. Na koan 2, die elke rationele verklaring voor oorzaak en gevolg (karma) afwijst. Na koan 3, Gutei’s vinger die slechts het ENE kent. Na koan 4 die aanreikt dat een mens zelf de Leegte is, die onmetelijke ruimte van het NIETS waaruit en waarin de barbaar zomaar zichzelf en zijn baard ontvangt. Na koan 5, die ons leert elk houvast achter ons te laten. Daarna komt koan 6: het zitten dat zich zomaar realiseert als beeld voor heel ons dagelijkse bestaan dat zich zomaar precies vrij realiseert uit het Ene dat wij niet kennen maar wel zelf zijn. Uit het NIETS. Wat een ruimte! Wat een rust! Wat een vrijheid! Meer is er niet te zeggen. Al gaat de Mumonkan door met op deze 6 koans eindeloos te variëren en uit te nodigen de zen-weg te gaan. Kees van den Muijsenberg.
Overige zen-brieven