ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 12- juli 2020
Het zitten van Willigis Jaeger (2) In zijn mondo’s (gesprekken met een groep) gebruikte Jaeger vroeg of laat de metafoor ‘de golf is de oceaan’. Deze metafoor vormde ook de titel van de bestseller die hem grote bekendheid gaf: ‘Die Welle ist das Meer’, oorspronkelijk verschenen in 2000 en spoedig vele malen vertaald. Sinds 1990 was hij zeer actief in Würzburg, stichtte daar een centrum voor contemplatie en - meer het hele land in - een oecumenische werkgemeenschap voor contemplatief gebed. De RKKerk kreeg het moeilijk met hem naar mate zijn bekendheid groeide. In 1991 reageerde Ratzinger (voormalige aartsbisschop van München, later kardinaal en hoofd van de Congregatie voor de Geloofsleer te Rome). Hij gaf Willigis een spreek- en schrijfverbod, en het verbod om als priester te mogen voorgaan. Jaeger ging niet weg uit de kerk of de Orde van de Benedictijnen, maar ging door met de oude geloofsinzichten in zichzelf te laten evolueren tot een nieuw verstaan. En daarbij stelde hij zijn ervaring ter beschikking van zeer velen die in zijn woorden een nieuwe spirituele vrijheid ervoeren. ‘De golf is de oceaan’ is een watermetafoor. Watermetaforen zijn zeer oud in de mythologie en in de religies, en ook in zen. Ze duiden op de onmetelijkheid van het universum en op het vloeiende karakter daarvan. Bij Dogen is de oceaan datgene wat ons draagt en omgeeft maar waarvan we de grenzen, het begin en het einde, niet kennen. Bij Jifu is het water van de altijd stromende rivier het beeld voor ons dagelijkse leven waarin elk houvast ontbreekt. Bij Ryokan is de dauwdrup beeld van de afkomst van ons vluchtige bestaan uit het NIETS. Tich Nath Hahn gebruikt de dauwdrup als beeld voor de mens die er zomaar is, toevallig en uiterst kwetsbaar. Charlotte Joko Beck beschrijft het ego van de mens als een draaikolkje in een stromend beekje, als een kolkje dat ontstaat, van alles in zich opneemt en vervolgens weer oplost. Het water in een moeraspoel weerspiegelt in zen-gedichten het hele universum, zoals ook de dauwdrup dat doet. Watermetaforen duiden op de universele werkelijkheid die alles dragend is, onmetelijk, niet kenbaar, altijd vloeiend en stromend, niet te beheersen. Water kan overgaan in de vorm van ijs of damp maar blijft altijd water. Water kan zich voordoen als veranderlijke wolken, als regen en sneeuw, als bedreigende (oer)storm of reddende oase. Als een woest verzwelgend oppervlak of als een rustige veilige vlakte. De termen ‘flow’ en ‘er- varen’ ontlenen hun betekenis aan de vloeiende eigenschappen van water. Alle rivieren stromen samen naar het éne water, de oceaan. Van het universele bewegen van water kennen we niet de oorzaak (non-causaliteit), het heeft geen vaste vorm of inhoud (non- substantialiteit) en in welke vorm of beweging we water ook zien… het blijft altijd (het éne) water (non-dualiteit). Van de watermetaforen is ‘de golf is de oceaan’ de meest eenvoudige. En daarin ligt de kracht van deze metafoor. De dauwdrup, de draaikolk, de alles dragende oceaan, de rivier of de beek: deze meer complexe metaforen geven gemakkelijk aanleiding tot duale beschouwingen, tot afscheiding van het éne tegenover het andere. De kortheid en de uiterste eenvoud van de allersimpelste zinsnede ‘de golf is de oceaan’ staat geen afscheiding toe binnen het éne gebeuren dat men gemakkelijk voor ogen ziet als men in het golvende water loopt of zwemt: het is altijd het éne water dat eindeloos golft. Golf en oceaan zijn één in hun breukloos éne bewegen. Ze zijn de sterktste metafoor voor het ENE dat wij niet kunnen doorgronden maar wel volop ervaren in het golven dat wijzelf zijn. Waarbij ook de éne golf niet af te scheiden is van de andere golf: ze zijn beide het éne golvende water, de éne oceaan die veelheid toont zonder iets van zich te verliezen of te verminderen. De golf is en blijft het ENE dat zich in golving toont. De ontelbare golven, de vele verschijnselen die wij waarnemen en zijn, zijn het ENE dat er maar is en dat zich precies zó toont in een ogenschijnlijke veelheid. Didactisch is de kracht van deze metafoor wellicht onvergelijkbaar ten opzichte van andere metaforen. ‘Es gibt kein bessere Metapher für was wir sind’ herhaalde Jaeger. Wat wij zijn… en wat aan ons verschijnt… is hier-en-nu het éne samenhangende vloeiende gebeuren dat alles omvat, non-duaal, géén twee. Het vele is het éne golven en vloeien: het is het ENE dat er maar is. Niets van mijn bewustzijn of van mijn lichaam, niets van mijn geest of van de materiële wereld, niets in de kosmos of in het dagelijkse leven, kan ik nog afscheiden van het ENE… zodra deze metafoor de meest diepgaande en leidende duiding wordt van al wat ik ben. Van de ontgrenzende ervaring waarin ik mijzelf herken als het ENE dat er maar is… Het ENE dat zich in de grote beperktheid van het hier-en-nu precies zó toont als alles wat ik maar ben, waarnemen of gewaarworden kan. Toevallig, zomaar, niet door mijzelf gemaakt of gewild, uit het NIETS. Als de oceaan die precies zó golft in dít hier-en-nu. Voor Jaeger was ‘de golf is de oceaan’ een metafoor van omkering (letterlijk bedoeld: op zijn kop zetten) en ontgrenzing. Westerlingen gaan als vanzelf uit van hun ego – hun eigen persoon – als een vaststaand iets, dat zichzelf kent en bestuurt, dat is afgescheiden van wat het waarneemt en denkt. Het ego dat het leven – zichzelf(!) - zin geeft. Het ego dat eeuwig van karakter is en zich redden wil middels de gedachte aan een eeuwig blijvende en van het lichaam af te scheiden persoonskern die we geest of ziel noemen. Het ego dat de wereld beschouwt en beheerst vanuit zichzelf. Een mooie krachtlijn bij de opbouw van een Westerse zen-lijn is dat Willigis voortdurend te rade ging bij de moderne wetenschap. Vandaaruit stelde hij niet aflatend de vraag wat de (eeuwig blijvende) betekenis van dit ego zou kunnen zijn in de miljarden jaren van wording, op dit stofkorreltje dat de aarde is, in het universum dat wij waarnemen te midden van de miljarden universa die er zijn…? Wat is de betekenis van het (nietige) ego dat het grote zoogdier ‘mens’ zich voorstelt te zijn in die paar jaar dat het er is? De mens, het zoogdier dat als geen andere diersoort zichzelf doodt en met geweld verscheurt – al zolang het er is? Het zoogdier ‘mens’ dat evolutionair gezien slechts een tijdelijk verschijnsel is? Het ego dat vanuit de voorstelling van het grote (de macrokosmos) en van het kleine (de microkosmos) zich altijd verdedigt en zich alwetend, almachtig, waant? Jaeger bepleitte vanuit de metafoor ‘de golf is de oceaan’ de keuze om uit deze desastreuze ik-begrenzing weg te gaan. De ik-begrenzing die leidt tot de ondergang van het mens-zijn. Het ego dat nietsontziend alles in dienst stelt van zichzelf. Het ego dat in een illusie, in een dwaling leeft. Willigis zette de Westerse benadering van de werkelijkheid vanuit het ego op zijn kop: het ego heeft geen enkele eigenstandigheid en is niet het goede uitgangspunt. De persoon is een samenvloeiing, een manifestatie in de oceaan. De titel van het boek dat hem zoveel bekendheid gaf zou daarom beter hebben kunnen zijn: ‘De oceaan is de golf’, zo legde hij uit. Waarmee hij ook aangaf dat zijn ervaring van het ENE was geëvolueerd. Ten diepste is de mens het ENE dat zich hier-en-nu zó toont. De mens is de ruimte zo wijds als de oceaan waarin al wat die mens is, waarneemt of gewaarwordt, zich realiseert. De mens zelf is de onmetelijke ruimte waarin al wat is zich realiseert… Volkomen vrij, zomaar, uit het NIETS, veranderlijk, zonder stabiliteit, vooraf aan de menselijke rationaliteit die tekort schiet om te beheersen. Een intense wonderlijke ervaring hier-en-nu, toevend in een groot niet-weten. Het leven vanuit de universele metafoor ‘de golf is de oceaan’ stelde Willigis in staat te zijn wie hij als zenmeester was. Het werd de metafoor van zijn leven. Het tekende zijn onderweg zijn met velen in de loop der jaren. Aan de hand van deze metafoor liet hij zien dat zen in het Westen een eigen oorspronkelijkheid heeft. Waar de oceaan golft… en de mens zich realiseert dát hij dat golven ís… dáár is zen op oorspronkelijke wijze. Het Chinese monnikenleven of de Japanse samoerai cultuur hebben niet (langer) het privilege van meer authentiek zen te beoefenen. Willigis ‘seculariseerde’ zen en ontdeed het van culturele Oosterse gewoonten die niet de onze (in het Westen) zijn. Dat was zijn diepste motivatie om zich deels los te maken van het Oosten en een eigen Westerse zen- lijn te stichten. Hij was wars van de her-hiërarchisering van de zen-traditie in het Westen, wars van geloften en wijdingen, van het geven van nieuwe namen en bijzondere kleding aan hen die in het Westen de zen-weg gaan. Hij zag dat als culturele aanslibsels vanuit het Oosten, als de heimelijke constructie van een nieuw houvast. De zen-ervaring van Westerlingen realiseert zich hier in het Westen, in het alledaagse leven hier. ‘Een zen-weg die zich niet realiseert te midden van het heel gewone alledaagse leven is een dwaalweg’ betoogde hij. De oefenplaats die een zendo is, is niet de plaats van het volle leven. Zoals de traditie zegt: zen speelt zich af op het marktplein - niet op de berg. Zen hiërarchiseert niet, scheidt niet af, stelt niet de één boven de ander. In zijn zendo’s en sesshins werden de rituelen geminimaliseerd tot het dienstbare, werden mannen en vrouwen gelijkgesteld, was een monnik niets meer als een niet-monnik. Zen openbaart zich hier en nu, onmiddellijk en onbemiddeld, als dít dat HÈT is… er is niets anders. Velen die bij hem kwamen ervoeren dat de presentie tijdens een (koan) gesprek hemzelf verre oversteeg. Als zenmeester verwees hij niet naar zichzelf… maar wel naar het ENE dat hij probeerde toegankelijk te maken voor de ervaring van zijn leerlingen. Daarbij ging hij vaak voorbij aan de eindeloze capriolen van het ego. Hij ging met zijn leerlingen mee op zoek naar het énige dat er maar is in het koan gesprek: het hier-en-nu, DÍT ogenblik! Een ander ogenblik is er niet; er is niets anders als DÍT hier! Wees wat je bent… ‘hier und jetzt!’ Velen zijn boos van hem weggegaan omdat ze bij hem geen herkenning en geen erkenning vonden voor de capriolen van hun ego, voor het houvast dat ze zochten in allerlei wetenswaardigheden van het christendom of van het boeddhisme, het houvast in carrière of verleden, in theorieën en theologieën, in hun opgebouwde boekenwijsheid. Geen herkenning en geen erkenning voor de zich meestal als mooi en interessant voordoende afscheiding van deelgebieden van de ervaring van een leerling die niet in staat is los te laten wat hem dierbaar is maar wat hem toch in de weg staat op de zen- weg. Geen herkenning en geen erkenning voor de vele “ja.., maar…” opmerkingen, voor de manieren waarmee leerlingen bewust of onbewust de weigering inkleden om zich met overgave te begeven op de zen-weg… Velen zijn ook gebleven om zich geleidelijk in de koan scholing te laten opengaan voor de ervaring van de non-duale werkelijkheid die wijzelf zijn. Het thuis – de acceptatie bij voorbaat van hun persoon - dat velen bij hem ervoeren lag ver voorbij de beperktheid van zijn eigen persoon… en ook ver voorbij de beperktheid van de persoon van de leerling… Zen maakt géén onderscheid – ‘de golf ís de oceaan…’ De koan scholing werd zo het voortdurend wegnemen van hindernissen op weg naar eenvoud die richting wijst, naar het ENE, naar non-duaal ervaren dat golvend zo ruim is als de onmetelijke oceaan. En toch zo alledaags als precies dit hier – dít ís HÈT! In alle bescheidenheid, nederig staande op de markt in het wonder dat zich voordoet van ogenblik tot vervloeiend ogenblik. De kenshukai (oefenweek voor de zen-leraren) van 21 tot en met 26 april 2020 van de zen-lijn LEERE WOLKE werd vanwege de corona maatregelen op digitale wijze vormgegeven. Ieder werd daar gevraagd wat zij/hij van belang acht voor de toekomst van de zen-lijn die nu een fase van groei ingaat in afwezigheid van de stichter Willigis, die op 20 maart overleed. Mij lijkt het enige criterium voor de toekomst te zijn dat de zen- leraren trouw hun zen-weg gaan, steeds zich openend naar geest en lichaam, met héél hun persoon, voor het non-duale, voor het ENE dat er maar is en dat de mens zelf ís. ‘Als een golf in de oceaan – als de oceaan die golft.’ Al het andere is daaraan dienstbaar, lijkt mij, zoals Jaeger eindeloos poogde aan te reiken. Dat aan te reiken zag hij als zijn levenstaak. Het is ook de onze. Deze tweede zen-brief naar aanleiding van het overlijden van Willigis Jaeger sluit ik graag af met het korte woordje dat hijzelf opstelde en waarvan hij vroeg dat het zou worden voorgelezen tijdens de uitvaart. De abt willigde dit verzoek in en voegde er nog amper iets aan toe. Het luidt: ‘Ik dank, dat ik er zijn mocht in dit lichaam in deze tijd op deze plaats voor de duur van mijn leven voor alle ervaringen en ontmoetingen voor het leren kennen van mijzelf voor allen, die de weg met mij gingen, ook voor allen, die het moeilijk hadden met mij, en ik dank ieder met wie ik mij in liefde verbonden weet. De oergrond, die geen eigenschappen heeft, die wij de naam god gegeven hebben, maakt ons en alle vormen in liefde één.’ (Vertaling KvdM)
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 12 - juli 2020
Het zitten van Willigis Jaeger (2) In zijn mondo’s (gesprekken met een groep) gebruikte Jaeger vroeg of laat de metafoor ‘de golf is de oceaan’. Deze metafoor vormde ook de titel van de bestseller die hem grote bekendheid gaf: ‘Die Welle ist das Meer’, oorspronkelijk verschenen in 2000 en spoedig vele malen vertaald. Sinds 1990 was hij zeer actief in Würzburg, stichtte daar een centrum voor contemplatie en - meer het hele land in - een oecumenische werkgemeenschap voor contemplatief gebed. De RKKerk kreeg het moeilijk met hem naar mate zijn bekendheid groeide. In 1991 reageerde Ratzinger (voormalige aartsbisschop van München, later kardinaal en hoofd van de Congregatie voor de Geloofsleer te Rome). Hij gaf Willigis een spreek- en schrijfverbod, en het verbod om als priester te mogen voorgaan. Jaeger ging niet weg uit de kerk of de Orde van de Benedictijnen, maar ging door met de oude geloofsinzichten in zichzelf te laten evolueren tot een nieuw verstaan. En daarbij stelde hij zijn ervaring ter beschikking van zeer velen die in zijn woorden een nieuwe spirituele vrijheid ervoeren. ‘De golf is de oceaan’ is een watermetafoor. Watermetaforen zijn zeer oud in de mythologie en in de religies, en ook in zen. Ze duiden op de onmetelijkheid van het universum en op het vloeiende karakter daarvan. Bij Dogen is de oceaan datgene wat ons draagt en omgeeft maar waarvan we de grenzen, het begin en het einde, niet kennen. Bij Jifu is het water van de altijd stromende rivier het beeld voor ons dagelijkse leven waarin elk houvast ontbreekt. Bij Ryokan is de dauwdrup beeld van de afkomst van ons vluchtige bestaan uit het NIETS. Tich Nath Hahn gebruikt de dauwdrup als beeld voor de mens die er zomaar is, toevallig en uiterst kwetsbaar. Charlotte Joko Beck beschrijft het ego van de mens als een draaikolkje in een stromend beekje, als een kolkje dat ontstaat, van alles in zich opneemt en vervolgens weer oplost. Het water in een moeraspoel weerspiegelt in zen-gedichten het hele universum, zoals ook de dauwdrup dat doet. Watermetaforen duiden op de universele werkelijkheid die alles dragend is, onmetelijk, niet kenbaar, altijd vloeiend en stromend, niet te beheersen. Water kan overgaan in de vorm van ijs of damp maar blijft altijd water. Water kan zich voordoen als veranderlijke wolken, als regen en sneeuw, als bedreigende (oer)storm of reddende oase. Als een woest verzwelgend oppervlak of als een rustige veilige vlakte. De termen ‘flow’ en ‘er-varen’ ontlenen hun betekenis aan de vloeiende eigenschappen van water. Alle rivieren stromen samen naar het éne water, de oceaan. Van het universele bewegen van water kennen we niet de oorzaak (non-causaliteit), het heeft geen vaste vorm of inhoud (non- substantialiteit) en in welke vorm of beweging we water ook zien… het blijft altijd (het éne) water (non-dualiteit). Van de watermetaforen is ‘de golf is de oceaan’ de meest eenvoudige. En daarin ligt de kracht van deze metafoor. De dauwdrup, de draaikolk, de alles dragende oceaan, de rivier of de beek: deze meer complexe metaforen geven gemakkelijk aanleiding tot duale beschouwingen, tot afscheiding van het éne tegenover het andere. De kortheid en de uiterste eenvoud van de allersimpelste zinsnede ‘de golf is de oceaan’ staat geen afscheiding toe binnen het éne gebeuren dat men gemakkelijk voor ogen ziet als men in het golvende water loopt of zwemt: het is altijd het éne water dat eindeloos golft. Golf en oceaan zijn één in hun breukloos éne bewegen. Ze zijn de sterktste metafoor voor het ENE dat wij niet kunnen doorgronden maar wel volop ervaren in het golven dat wijzelf zijn. Waarbij ook de éne golf niet af te scheiden is van de andere golf: ze zijn beide het éne golvende water, de éne oceaan die veelheid toont zonder iets van zich te verliezen of te verminderen. De golf is en blijft het ENE dat zich in golving toont. De ontelbare golven, de vele verschijnselen die wij waarnemen en zijn, zijn het ENE dat er maar is en dat zich precies zó toont in een ogenschijnlijke veelheid. Didactisch is de kracht van deze metafoor wellicht onvergelijkbaar ten opzichte van andere metaforen. ‘Es gibt kein bessere Metapher für was wir sind’ herhaalde Jaeger. Wat wij zijn… en wat aan ons verschijnt… is hier-en-nu het éne samenhangende vloeiende gebeuren dat alles omvat, non-duaal, géén twee. Het vele is het éne golven en vloeien: het is het ENE dat er maar is. Niets van mijn bewustzijn of van mijn lichaam, niets van mijn geest of van de materiële wereld, niets in de kosmos of in het dagelijkse leven, kan ik nog afscheiden van het ENE… zodra deze metafoor de meest diepgaande en leidende duiding wordt van al wat ik ben. Van de ontgrenzende ervaring waarin ik mijzelf herken als het ENE dat er maar is… Het ENE dat zich in de grote beperktheid van het hier-en-nu precies zó toont als alles wat ik maar ben, waarnemen of gewaarworden kan. Toevallig, zomaar, niet door mijzelf gemaakt of gewild, uit het NIETS. Als de oceaan die precies zó golft in dít hier-en-nu. Voor Jaeger was ‘de golf is de oceaan’ een metafoor van omkering (letterlijk bedoeld: op zijn kop zetten) en ontgrenzing. Westerlingen gaan als vanzelf uit van hun ego – hun eigen persoon – als een vaststaand iets, dat zichzelf kent en bestuurt, dat is afgescheiden van wat het waarneemt en denkt. Het ego dat het leven – zichzelf(!) - zin geeft. Het ego dat eeuwig van karakter is en zich redden wil middels de gedachte aan een eeuwig blijvende en van het lichaam af te scheiden persoonskern die we geest of ziel noemen. Het ego dat de wereld beschouwt en beheerst vanuit zichzelf. Een mooie krachtlijn bij de opbouw van een Westerse zen-lijn is dat Willigis voortdurend te rade ging bij de moderne wetenschap. Vandaaruit stelde hij niet aflatend de vraag wat de (eeuwig blijvende) betekenis van dit ego zou kunnen zijn in de miljarden jaren van wording, op dit stofkorreltje dat de aarde is, in het universum dat wij waarnemen te midden van de miljarden universa die er zijn…? Wat is de betekenis van het (nietige) ego dat het grote zoogdier ‘mens’ zich voorstelt te zijn in die paar jaar dat het er is? De mens, het zoogdier dat als geen andere diersoort zichzelf doodt en met geweld verscheurt – al zolang het er is? Het zoogdier ‘mens’ dat evolutionair gezien slechts een tijdelijk verschijnsel is? Het ego dat vanuit de voorstelling van het grote (de macrokosmos) en van het kleine (de microkosmos) zich altijd verdedigt en zich alwetend, almachtig, waant? Jaeger bepleitte vanuit de metafoor ‘de golf is de oceaan’ de keuze om uit deze desastreuze ik-begrenzing weg te gaan. De ik- begrenzing die leidt tot de ondergang van het mens-zijn. Het ego dat nietsontziend alles in dienst stelt van zichzelf. Het ego dat in een illusie, in een dwaling leeft. Willigis zette de Westerse benadering van de werkelijkheid vanuit het ego op zijn kop: het ego heeft geen enkele eigenstandigheid en is niet het goede uitgangspunt. De persoon is een samenvloeiing, een manifestatie in de oceaan. De titel van het boek dat hem zoveel bekendheid gaf zou daarom beter hebben kunnen zijn: ‘De oceaan is de golf’, zo legde hij uit. Waarmee hij ook aangaf dat zijn ervaring van het ENE was geëvolueerd. Ten diepste is de mens het ENE dat zich hier-en-nu zó toont. De mens is de ruimte zo wijds als de oceaan waarin al wat die mens is, waarneemt of gewaarwordt, zich realiseert. De mens zelf is de onmetelijke ruimte waarin al wat is zich realiseert… Volkomen vrij, zomaar, uit het NIETS, veranderlijk, zonder stabiliteit, vooraf aan de menselijke rationaliteit die tekort schiet om te beheersen. Een intense wonderlijke ervaring hier-en-nu, toevend in een groot niet-weten. Het leven vanuit de universele metafoor ‘de golf is de oceaan’ stelde Willigis in staat te zijn wie hij als zenmeester was. Het werd de metafoor van zijn leven. Het tekende zijn onderweg zijn met velen in de loop der jaren. Aan de hand van deze metafoor liet hij zien dat zen in het Westen een eigen oorspronkelijkheid heeft. Waar de oceaan golft… en de mens zich realiseert dát hij dat golven ís… dáár is zen op oorspronkelijke wijze. Het Chinese monnikenleven of de Japanse samoerai cultuur hebben niet (langer) het privilege van meer authentiek zen te beoefenen. Willigis ‘seculariseerde’ zen en ontdeed het van culturele Oosterse gewoonten die niet de onze (in het Westen) zijn. Dat was zijn diepste motivatie om zich deels los te maken van het Oosten en een eigen Westerse zen-lijn te stichten. Hij was wars van de her-hiërarchisering van de zen- traditie in het Westen, wars van geloften en wijdingen, van het geven van nieuwe namen en bijzondere kleding aan hen die in het Westen de zen-weg gaan. Hij zag dat als culturele aanslibsels vanuit het Oosten, als de heimelijke constructie van een nieuw houvast. De zen-ervaring van Westerlingen realiseert zich hier in het Westen, in het alledaagse leven hier. ‘Een zen-weg die zich niet realiseert te midden van het heel gewone alledaagse leven is een dwaalweg’ betoogde hij. De oefenplaats die een zendo is, is niet de plaats van het volle leven. Zoals de traditie zegt: zen speelt zich af op het marktplein - niet op de berg. Zen hiërarchiseert niet, scheidt niet af, stelt niet de één boven de ander. In zijn zendo’s en sesshins werden de rituelen geminimaliseerd tot het dienstbare, werden mannen en vrouwen gelijkgesteld, was een monnik niets meer als een niet- monnik. Zen openbaart zich hier en nu, onmiddellijk en onbemiddeld, als dít dat HÈT is… er is niets anders. Velen die bij hem kwamen ervoeren dat de presentie tijdens een (koan) gesprek hemzelf verre oversteeg. Als zenmeester verwees hij niet naar zichzelf… maar wel naar het ENE dat hij probeerde toegankelijk te maken voor de ervaring van zijn leerlingen. Daarbij ging hij vaak voorbij aan de eindeloze capriolen van het ego. Hij ging met zijn leerlingen mee op zoek naar het énige dat er maar is in het koan gesprek: het hier-en-nu, DÍT ogenblik! Een ander ogenblik is er niet; er is niets anders als DÍT hier! Wees wat je bent… ‘hier und jetzt!’ Velen zijn boos van hem weggegaan omdat ze bij hem geen herkenning en geen erkenning vonden voor de capriolen van hun ego, voor het houvast dat ze zochten in allerlei wetenswaardigheden van het christendom of van het boeddhisme, het houvast in carrière of verleden, in theorieën en theologieën, in hun opgebouwde boekenwijsheid. Geen herkenning en geen erkenning voor de zich meestal als mooi en interessant voordoende afscheiding van deelgebieden van de ervaring van een leerling die niet in staat is los te laten wat hem dierbaar is maar wat hem toch in de weg staat op de zen-weg. Geen herkenning en geen erkenning voor de vele “ja.., maar…” opmerkingen, voor de manieren waarmee leerlingen bewust of onbewust de weigering inkleden om zich met overgave te begeven op de zen-weg… Velen zijn ook gebleven om zich geleidelijk in de koan scholing te laten opengaan voor de ervaring van de non-duale werkelijkheid die wijzelf zijn. Het thuis – de acceptatie bij voorbaat van hun persoon - dat velen bij hem ervoeren lag ver voorbij de beperktheid van zijn eigen persoon… en ook ver voorbij de beperktheid van de persoon van de leerling… Zen maakt géén onderscheid – ‘de golf ís de oceaan…’ De koan scholing werd zo het voortdurend wegnemen van hindernissen op weg naar eenvoud die richting wijst, naar het ENE, naar non-duaal ervaren dat golvend zo ruim is als de onmetelijke oceaan. En toch zo alledaags als precies dit hier – dít ís HÈT! In alle bescheidenheid, nederig staande op de markt in het wonder dat zich voordoet van ogenblik tot vervloeiend ogenblik. De kenshukai (oefenweek voor de zen- leraren) van 21 tot en met 26 april 2020 van de zen-lijn LEERE WOLKE werd vanwege de corona maatregelen op digitale wijze vormgegeven. Ieder werd daar gevraagd wat zij/hij van belang acht voor de toekomst van de zen-lijn die nu een fase van groei ingaat in afwezigheid van de stichter Willigis, die op 20 maart overleed. Mij lijkt het enige criterium voor de toekomst te zijn dat de zen-leraren trouw hun zen-weg gaan, steeds zich openend naar geest en lichaam, met héél hun persoon, voor het non-duale, voor het ENE dat er maar is en dat de mens zelf ís. ‘Als een golf in de oceaan – als de oceaan die golft.’ Al het andere is daaraan dienstbaar, lijkt mij, zoals Jaeger eindeloos poogde aan te reiken. Dat aan te reiken zag hij als zijn levenstaak. Het is ook de onze. Deze tweede zen-brief naar aanleiding van het overlijden van Willigis Jaeger sluit ik graag af met het korte woordje dat hijzelf opstelde en waarvan hij vroeg dat het zou worden voorgelezen tijdens de uitvaart. De abt willigde dit verzoek in en voegde er nog amper iets aan toe. Het luidt: ‘Ik dank, dat ik er zijn mocht in dit lichaam in deze tijd op deze plaats voor de duur van mijn leven voor alle ervaringen en ontmoetingen voor het leren kennen van mijzelf voor allen, die de weg met mij gingen, ook voor allen, die het moeilijk hadden met mij, en ik dank ieder met wie ik mij in liefde verbonden weet. De oergrond, die geen eigenschappen heeft, die wij de naam god gegeven hebben, maakt ons en alle vormen in liefde één.’ (Vertaling KvdM)